Zoektocht naar azolla als lokaal eiwitgewas

Telen van eigen voereiwit uit azolla op een mengsel van dierlijke mest in de buitenlucht kan, zo blijkt uit een pilot van Wij.land, BAAI en het Louis Bolk Instituut op boerderij de Marsen. In de periode van half juni tot half augustus groeide de azolla met ongeveer 51 kilo drogestof per hectare per dag, en het groeide tot laat in het najaar door. Nu is het zoeken naar verdere teeltoptimalisatie en een goede methode van vervoe­dering.

Azolla als eiwitgewas groeiend in een IBC-container (foto: LBI).

Azolla is een watervaren die in symbiose leeft met stikstofbindende cyanobacteriën, waardoor de varen een eigen stikstofvoorziening heeft, net als vlinderbloemigen. Azolla kan zeer productief zijn, en het eiwit heeft een gunstige aminozurensamenstelling voor pluimvee en varkens. In met name de subtropische delen van Azië wordt de plant veel gebruikt als bemesting en lokale eiwitbron voor het vee. In Nederland komt in open water hoofdzakelijk Azolla filiculoides voor, die door waterschappen wordt gezien als een ongewenste exoot. Deze soort is echter het meest geschikt voor de eiwitteelt in Nederland.

Vanwege het relatief gunstige aminozurenpatroon van azolla-eiwit, zou azolla het gebruik van soja- en zonnebloemzaadschilfers (gedeeltelijk) kunnen vervangen in pluimvee of varkensvoer. Echter, door de aanwezige tannines en de relatief moeilijke verteerbaarheid, wordt aangeraden azolla bij pluimvee tot maximaal 5 à 10 procent en bij varkens tot maximaal 10 à 15 procent in het rantsoen op te nemen.

Lees het artikel ‘Zoektocht naar azolla als lokaal eiwitgewas’ in V-focus februari 2019.

Delen via:
Meer over: Algemeen | Onderzoek en beleid

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *