De waterrijke veenweidegebieden in Noord- en Zuid-Holland, Utrecht, Overijssel en Friesland zijn typisch Nederlandse cultuurhistorische landschappen. De gebieden staan staan onder grote druk: de bodem daalt en de uitstoot van CO2 is te hoog. Kan de karakteristieke veenweideboer, met vooral gras en koeien, hier nog wel boer blijven? Of verandert deze agrariër in een door…
De melkveehouderij in veenweidegebieden kenmerkt zich door relatief extensieve bedrijfsvoering, veelal weidegang en een hoog aandeel blijvend grasland. Daarnaast pakken steeds meer melkveehouders maatschappelijke taken op, zoals natuur- en landschapsbeheer, zo staat in de toekomstvisie van de Rabobank op de melkveehouderij in de veenweidegebieden. Om in te zoomen: 33 procent van de 2.700 melkveebedrijven in de veenweidegebieden levert naast melk inmiddels ook een maatschappelijke dienst, zoals natuur- en landschapsbeheer, boerderijverkoop, recreatie, zorg of een combinatie hiervan.
De zo karakteristieke veenweidegebieden zijn verdeeld over vijf provincies: Noord- en Zuid-Holland, Utrecht, Overijssel en Friesland. Niet allemaal zijn ze hetzelfde. Ze verschillen in onder andere waterpeil en bodemsamenstelling.
Hoog grondwater
In het Klimaatakkoord van 2019 is voor het Nederlandse veenweidegebied een klimaatopgave afgesproken. De kern is: minder CO₂-uitstoot uit veenbodems door het grondwaterpeil te verhogen en daarmee veenafbraak en bodemdaling te remmen. Nederland heeft afgesproken dat de uitstoot van broeikasgassen uit de veenweidegebieden in 2030 met 1,0 Mton CO₂-equivalent per jaar moet zijn verminderd. Nieuw onderzoek van het Nationaal Onderzoeksprogramma Broeikasgassen Veenweiden (NOBV) wijst erop dat de daadwerkelijke uitstoot van Nederlandse veenweiden lager ligt dan eerder werd aangenomen. Daarom wordt de oorspronkelijke 1 Mton-doelstelling momenteel opnieuw tegen het licht gehouden. In provinciale stukken wordt nu gesproken over een mogelijke bijstelling naar 0,7 Mton.
Er is niet gekozen voor één landelijke maatregel. Provincies, waterschappen, gemeenten, boeren en andere partijen moeten per gebied bepalen welke combinatie van maatregelen lokaal het beste werkt. Het Klimaatakkoord noemt dit een ‘gebiedsbenadering’. De belangrijkste ingreep is het vernatten van veenbodems. Door de grondwaterstand te verhogen komt er minder zuurstof in het veen, waardoor de afbraak van veen en daarmee de CO₂-uitstoot afneemt. Tegelijk remt het de bodemdaling.
Nieuwe Nota Ruimte
De plannen van de overheid met de veenweide staan in de Nationale Omgevingsvisie (Novi) en worden voortgezet in het ontwerp van de nieuwe Nota Ruimte. Die is in september 2025 naar de Tweede Kamer gestuurd en beschrijft de ruimtelijke keuzes voor onder meer landbouw in de veenweide. De definitieve Nota Ruimte wordt naar verwachting eind dit jaar naar de Tweede Kamer gestuurd.
Voor het vernatten van de veenweidegebieden noemt de ontwerpnota een grondwaterstand van 20 tot 40 cm onder het maaiveld. Aanpassing naar een peil van 40 cm onder maaiveld is uitdrukkelijk de eerste stap. Daarna kan verdere verhoging aan de orde zijn. De urgentie en het tempo verschillen per gebied. Veenweidegebieden rond kwetsbare Natura 2000-gebieden krijgen prioriteit stelt de nota.
Perspectief houden
Over de rol van boeren spreekt het Rijk zich in de Nota Ruimte duidelijk uit: de landbouw moet ook in de toekomst de belangrijkste economische en cultuurhistorische drager van het gebied blijven – ook dus bij hogere waterstanden.
Hoe realistisch is dat perspectief als boeren zich hoe dan ook moeten aanpassen aan nieuwe water- en bodemcondities? Dat heeft immers behoorlijke gevolgen voor de bedrijfsvoering. Zo wordt bij een grondwaterstand van 20 tot 40 cm onder maaiveld de draagkracht van de bodem een belangrijk probleem. Ook kunnen beweiding, maaien, bemesting, graslandgebruik en de mogelijkheden voor uitbreiding veranderen. Daardoor is de discussie over peilopzet feitelijk ook een discussie over het toekomstige verdienmodel van de melkveehouderij. Dat punt staat inmiddels ook op de politieke agenda. De Tweede Kamer vroeg in maart om vóór definitieve besluitvorming inzicht te geven in de financiële gevolgen van peilverhoging voor agrariërs.
Bedrijfsresultaat onderuit
Wat gebeurt er als je in het veenweidegebied de grondwaterstand verhoogt tot 20 cm onder het maaiveld? Kun je dan nog goed boeren? Dit wordt onderzocht door het onderzoeksprogramma Boeren op Hoog Water (BoHW) op de Hoogwaterboerderij bij het Kennis Transfer Centrum (KTC) in Zegveld. De conclusie na vijf jaar onderzoek: boeren op hoog water ís mogelijk én zorgt voor minder uitstoot van broeikasgassen en ammoniak.
Het bedrijfsresultaat neemt echter wel af, gemiddeld met 147 euro per koe per jaar, een daling van 7 procent. Dit saldoverlies komt vooral door de hogere aankoopkosten van ruwvoer. Er zijn grote fluctuaties: het ene jaar is de afname 9 euro per koe, in het andere jaar 393 euro. Dit komt doordat de grasproductie en -kwaliteit afnemen, terwijl het geproduceerde gras minden goed benit kan worden – met name in extreem natte jaren doordat de koeien en machines pas laat het land op kunnen en meer voer moet worden aangekocht.
Vernatting vraagt vaak om een ‘waterinfiltratiesysteem’. De kosten daarvoor voor arbeid, investeringen en onderhoud. zijn nu niet meegerekend in het saldo per koe. Een waterinfiltratiesysteem is een systeem dat water geleidelijk vanuit de sloot of het oppervlaktewater de bodem laat intrekken. In de Nederlandse veenweidegebieden wordt het vooral gebruikt om het grondwaterpeil hoger te houden. Waterinfiltratie wordt vooral toegepast in het westelijke veenweidegebied, maar inmiddels ook in Friesland. De jaarlijkse kosten bedragen al gauw 600 euro per hectare, oftewel zo’n 300 euro per koe bij de gehanteerde veebezetting, berekend op basis van volledige afschrijving en onderhoud, exclusief arbeidskosten en zonder subsidie. Samen met het saldoverlies betekent dat een substantiële kostenpost.
Een hogere grondwaterstand kan bovendien leiden tot een lagere grondwaarde. Dat raakt vooral het eigen vermogen. De gezondheid van de koeien wordt niet geschaad, zo blijkt uit het onderzoek. Maar de voorlopige conclusie is helder: financieel komen melkveebedrijven fors meer onder druk te staan bij verhoogde waterstanden.
Nieuwe verdienmodellen
Om de economische nadelen van hoge waterstanden te compenseren, zoeken verschillende partijen naar nieuwe mogelijkheden om boeren in de veenweiden te belonen voor hun bijdrage aan klimaat en waterbeheer. Het wemelt van de pilots voor concrete nieuwe verdienmodellen en sommige leveren ook al geld op (zie kader: Fries project). Maar er is nog nauwelijks zicht op een volwaardig alternatief voor de melkveehouderij.
Voor de veenweide zijn er op dit moment zes routes naar een nieuw verdienmodel:
- Vergoeding of compensatie voor hogere grondwaterstanden
- Natte teelten
- Betaling voor opslag van CO₂ of koolstof
- Extensieve melkveehouderij plus natuur
- Water- en biodiversiteitsdiensten
- Energie, recreatie en nieuwe functies

Hiervan is de eerste – een vergoeding voor hogere grondwaterstanden – momenteel het concreetst. De provincie Fryslân kreeg recent Europese goedkeuring voor de CSV, de Compensatie Systematiek Veenweide (zie kader: Geld of grond). Boeren kunnen daarmee worden gecompenseerd voor onder meer lagere opbrengsten en waardedaling van grond als gevolg van hogere waterpeilen. Aldeboarn-De Deelen Zuid moet het eerste gebied worden waar de regeling wordt toegepast. Goedbeschouwd is deze route echter eerder een eenmalige compensatie dan een echt verdienmodel. CSV maakt een ander bedrijfsmodel financieel mogelijk, maar creëert geen structureel marktinkomen.
Dat gebeurt wel bij de tweede route, de natte teelten. Hier zien we volop beweging – denk aan lisdodde, riet, cranberries, wilgen en andere gewassen die goed gedijen bij hoge grondwaterstanden. In verschillende Nederlandse veenweidegebieden wordt hiermee volop geëxperimenteerd. Het meest interessante gewas lijkt lisdoddeteelt als grondstof voor biobased bouwmateriaal. In Friesland wordt hier inmiddels concreet aan gewerkt (zie kader: Fries project). Een ander concreet voorbeeld is de Lisdodde Deal in het Gooi. Daar willen boeren, verwerker en bouwbedrijven een lokale keten opzetten. De ambitie is om van 15 hectare in 2026 door te groeien naar 85 hectare in 2029.
CO2-markt
Ook de derde route – het opslaan van CO₂ of tegengaan van CO₂-uitstoot – kan een inkomstenstroom opleveren. Al een aantal jaren wordt gewerkt aan het verwaarden van die emissiereductie via koolstofcredits, zoals het in het project Valuta voor Veen. In dit project zetten de natuur- en milieufederaties van de provincies Overijssel, Zuid-Holland, Noord-Holland, Utrecht en Friesland een koolstofbank op waar zogenaamde koolstofcredits verhandeld worden.
Boeren in veengebieden kunnen deze koolstofcredits verdienen door CO₂-reducerende maatregelen te treffen op hun grond. Aangezien nat veen koolstof beter vasthoudt dan droog veen, kunnen de boeren CO₂-uitstoot verminderen door het waterpeil op hun perceel te verhogen. Ook bodemdaling door uitgedroogd veen kan hiermee worden tegengegaan. Via de koolstofbank kunnen boeren hun verdiende koolstofcredits verkopen aan bedrijven, overheden en particulieren die op vrijwillige basis hun CO₂-uitstoot willen compenseren. Boeren ontvangen zo 300 tot 700 euro per hectare per jaar. De koolstofbank draagt op deze manier niet alleen bij aan het verminderen van de CO₂-uitstoot, het is ook een nieuwe inkomstenbron als vergoeding voor de klimaatprestatie van de boer. Een stabiele CO₂-markt, waarmee een veenweidebedrijf structureel een fors inkomen kan verdienen, is er echter nog niet.

Extensieve melkveehouderij
Extensief boeren, de vierde route, is op dit moment het meest concrete verdienmodel, omdat het al bestaat en steeds vaker wordt toegepast: minder koeien per hectare, meer gras, hogere waterstanden en inkomsten uit bijvoorbeeld agrarisch natuurbeheer, weidevogelbeheer, biodiversiteit, langere weidegang, klimaatprestaties en mogelijk een hogere melkprijs. Nadeel is de lagere melkproductie per hectare. De vraag is dus of de extra vergoedingen voldoende zijn om het verlies aan melkinkomen te compenseren. Toch zullen steeds meer boeren deze route kiezen, zeker als ze dicht bij een Natura 2000-gebied zitten en in een van de gevreesde zones van landbouwminister Jaimi van Essen terechtkomen.
De vijfde route is de boer als water- en natuurbeheerder. Die lijkt veel op route 4, alleen zijn hier de koeien niet langer het hoofdinkomen, maar is de dienstverlening het belangrijkst. Een veenweideboer wordt dan vooral betaald voor maatschappelijke diensten, zoals water vasthouden, hogere grondwaterstanden beheren, natuur- en weidevogelbeheer, biodiversiteit, CO₂-reductie en landschapsbeheer. Daarmee verschuift het verdienmodel van: ‘ik produceer melk op mijn grond en vul het inkomen aan met nevendiensten’ naar: ‘ik lever verschillende diensten met mijn grond en ik houd ook nog wat koeien voor de melk’. Beide richtingen sluiten aan bij de ontwikkeling van subsidies voor samenwerking rond hogere grondwaterstanden en extensivering.
Stapeling van inkomsten
Terug naar de toekomstvisie van de Rabobank op het veenweidegebied in 2040. Voor de bank staat het als een paal boven water dat melkveehouderij een drager blijft van het landschap en de economie in de veenweidegebieden. Alleen wel op een andere manier. Er wordt nu al veel samengewerkt tussen melkveehouders, overheden en natuurorganisaties en dat zal in de toekomst vaker en meer worden, denkt de bank. “Nieuwe verdienmodellen zullen melkveehouders meer keuzevrijheid geven”, schrijft de bank in zijn toekomstvisie.
De Rabobank ziet vooral kansen in de combinatie van verschillende sporen – een stapeling van inkomstenbronnen: bijvoorbeeld extensieve melkveehouderij plus natuurbeheer plus vernattingsvergoeding plus vergoeding voor CO₂-opslag en plus eventueel natte teelt op de slechtste percelen. Kortom: de boer wordt minder voedselproducent en steeds meer producent van melk, natuur, waterberging en klimaatwinst en wie weet biomassa. Of dat kan concurreren met een inkomen uit een traditioneel melkveebedrijf zal de tijd leren.







