Invloed maaidatum op voederwaarde en opname

In hoeverre is met de veldperiode te sturen in kuilkwaliteit? En hoe zit dat voor uitgestelde maaidatum gras? Wat betekent dat voor de inkuilbaarheid van het gras, en wordt hooi van uitgestelde maaidatum beter opgenomen dan kuil? Dit onderzochten het Louis Bolk Instituut en het Kennis Transfer Centrum Zegveld in het kader van het project Winst & Weidevogels (www.weidewinst.nl), gefinancierd door de provincie Zuid-Holland.

In het voorjaar van 2018 werd een perceel blijvend grasland op veen bemest met rundveedrijfmest en KAS-kunstmest tot een totale hoeveelheid variërend van 50 tot 100 kilo minerale stikstof (N) per hectare, afhankelijk van de behandeling. Rekening houdend met het weer werd het gras op 4 mei, 25 mei of 11 juni gemaaid. Op elk maaimoment werd een nattere en een droge kuil gemaakt, en van het gras van 25 mei en 11 juni werd ook hooi gemaakt. Alle varianten kuil en hooi werden in rondbalen geperst en gewikkeld. Daarnaast werden, in vier herhalingen, de kuilen in kleine vaatjes (12 liter) ingekuild en beide hooisoorten los bewaard. De kuiltjes werden gemaakt door het voordrooggras handmatig aan te drukken in een plastic zak in de vaatjes, die vervolgens luchtdicht werden afgesloten. Half oktober werden alle varianten kuil en hooi bemonsterd en onderzocht.

Opname

In het algemeen was de opname van de vroegst gemaaide kuilen het hoogst en de laatst gemaaide het laagst, en was de opname van nattere kuilen hoger dan van drogere. Enige afwijking van deze trends betrof het 11 juni-hooi; de vrijwillige opname hiervan was vergelijkbaar met de drogere mei-kuilen. De vrijwillige opname van dit 11 juni-hooi was wel lager dan van de 11 juni-kuilen en het 25 mei-hooi.

Onderzoekers van het Louis Bolk Instituut en KTC Zegveld publiceren over hun onderzoek in V-focus van april 2019.

 

Delen via:
Meer over: Onderzoek en beleid

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *