Berichtenoverzicht

Dirksen Management Support naar DLV Advies

DLV Advies neemt Dirksen Management Support over. Voormalig directeur-eigenaar en de medewerkers van DMS treden bij DLV Advies in Dienst. 38 jaar geleden richtte Hans Dirksen DMS op, een adviesdienst voor de melkveehouderij. DLV omarmt naar eigen zeggen de innovatiekracht en de data gedreven werkwijze van DMS. DMS begeleidt veel studiegroepen en dat wordt volgens […]


Dirksen Management Support naar DLV Advies

14 sep 2026

DLV Advies neemt Dirksen Management Support over. Voormalig directeur-eigenaar en de medewerkers van DMS treden bij DLV Advies in Dienst.

38 jaar geleden richtte Hans Dirksen DMS op, een adviesdienst voor de melkveehouderij. DLV omarmt naar eigen zeggen de innovatiekracht en de data gedreven werkwijze van DMS. DMS begeleidt veel studiegroepen en dat wordt volgens het persbericht op vertrouwde wijze voortgezet in 2027. Studiegroepen sluiten volgens het bericht van DLV Advies goed aan bij de manier waarop zij kennis wil delen: praktisch, onafhankelijk en vanuit de kracht van ondernemers die van elkaar leren.

EU-handelsoverschot agrovoedingsproducten groeit in eerste helft 2026

De cumulatieve EU-export van agro- en voedingsproducten in de eerste helft van 2026 daalde met twee procent. De sterkste afname deed zich voor bij de export naar de Verenigde Staten, na de hoge exportniveaus in 2025.Cacaoproducten, olijfolie en varkensvlees zorgden vooral voor de krimp in de export. Voor varkensvlees waren de kleinere volumes die naar […]


EU-handelsoverschot agrovoedingsproducten groeit in eerste helft 2026

11 sep 2026

De cumulatieve EU-export van agro- en voedingsproducten in de eerste helft van 2026 daalde met twee procent. De sterkste afname deed zich voor bij de export naar de Verenigde Staten, na de hoge exportniveaus in 2025.Cacaoproducten, olijfolie en varkensvlees zorgden vooral voor de krimp in de export. Voor varkensvlees waren de kleinere volumes die naar China en Japan gingen bepalend, maar ook de lagere prijzen. De cumulatieve import in 2026 daalde op jaarbasis met 4 procent, vooral als gevolg van lagere prijzen voor cacaoproducten.

Het cumulatieve handelsoverschot in de eerste helft van 2026 nam toe tot 23,9 miljard euro, 1,4 miljard euro meer dan een jaar eerder, mede dankzij de dalende cacaoprijzen.

Juni

In juni 2026 exporteerde de EU voor 20,3 miljard euro aan agro- en voedingsproducten. Dat is vijf procent meer dan in de voorgaande maand en zes procent meer dan in juni 2025.

De EU importeerde in juni voor 15,7 miljard euro aan agrovoedingsproducten, één procent meer dan in de voorgaande maand en twee procent meer dan een jaar eerder.

Ook de import van granen nam af, door kleinere volumes tarwe en lagere prijzen en volumes van rijst. Daarnaast daalde de import van oliehoudende zaden en eiwitgewassen. De grootste stijging van de import deed zich voor bij fruit en noten.Het handelsoverschot van de EU voor agrovoedingsproducten nam in juni met 24 procent toe ten opzichte van de voorgaande maand, tot 4,6 miljard euro. Dat is 20 procent meer dan in juni 2025.

Bron: EC (2026), Monitoring EU agri-food trade. European Commission, DG Agriculture and Rural Development, Brussel.

Figuur: geralt via Pixabay

Beter ruwvoer verlaagt methaanuitstoot vooral bij melkkoeien

Een betere ruwvoerkwaliteit kan de methaanuitstoot per kilogram droge stof bij melkkoeien verlagen. Bij ander rundvee is het effect kleiner en bij schapen ontbreekt dit effect. Dat blijkt uit een internationale meta-analyse onder leiding van onderzoekers van Wageningen Livestock Research.


Beter ruwvoer verlaagt methaanuitstoot vooral bij melkkoeien

9 sep 2026

Een betere ruwvoerkwaliteit kan de methaanuitstoot per kilogram droge stof bij melkkoeien verlagen. Bij ander rundvee is het effect kleiner en bij schapen ontbreekt dit effect. Dat blijkt uit een internationale meta-analyse onder leiding van onderzoekers van Wageningen Livestock Research.

De onderzoekers wilden weten of verbetering van de ruwvoerkwaliteit bij verschillende soorten herkauwers hetzelfde effect heeft op de methaanemissie. Daarvoor combineerden ze gegevens uit 24 eerdere studies met in totaal 109 behandelingsgemiddelden. De dieren werden verdeeld in drie groepen: lacterende melkkoeien, ander rundvee – waaronder vleesvee en droogstaande melkkoeien – en schapen.

Vervolgens keken de onderzoekers naar de relatie tussen de methaanuitstoot en drie kenmerken van het ruwvoer: de verteerbaarheid van organische stof, het NDF-gehalte en het ruw-eiwitgehalte. De methaanproductie werd daarbij onder meer uitgedrukt per kilogram opgenomen droge stof.

Bij melkkoeien hing een betere verteerbaarheid samen met een lagere methaanuitstoot per kilogram droge stof. Ook een lager NDF-gehalte ging samen met minder methaan. Bij het overige rundvee waren de verbanden veel minder sterk. Alleen voor het ruw-eiwitgehalte vonden de onderzoekers een relatie met de methaanuitstoot per kilogram droge stof.

Bij schapen pakte het anders uit. Daar vonden de onderzoekers geen aanwijzingen dat een betere ruwvoerkwaliteit de methaanuitstoot per kilogram droge-stofopname verlaagt. Voor verteerbaarheid en NDF waren zelfs tendensen zichtbaar in de tegenovergestelde richting.

Wanneer de onderzoekers de methaanuitstoot niet per kilogram opgenomen droge stof, maar per kilogram verteerde organische stof uitdrukten, veranderde het beeld. Dan leidde een betere ruwvoerkwaliteit bij alle drie de diergroepen tot minder methaan. Een hogere verteerbaarheid en een hoger eiwitgehalte gingen samen met minder methaan, terwijl een hoger NDF-gehalte juist samenhing met meer uitstoot.

Volgens de onderzoekers worden de verschillen tussen melkkoeien, ander rundvee en schapen waarschijnlijk veroorzaakt door verschillen in voeropname en de mate waarin voer in de pens wordt gefermenteerd. De studie laat daarmee zien dat het effect van ruwvoerkwaliteit op methaanemissies sterk afhangt van zowel de diercategorie als de manier waarop de emissie wordt uitgedrukt.

Aan het onderzoek werkten onder anderen onderzoekers van Wageningen Livestock Research mee. De studie is gepubliceerd in het wetenschappelijke tijdschrift Animal.

Zomergewassen leiden het zwaarst onder hitte

Vooral zomergewassen hebben hinder ondervonden van de recente droogte en hitte in Europa.  Ook voor gras en voedergewassen is er vrees voor tekorten. De vooruitzichten voor zomergewassen in West-Europa en het grootste deel van Centraal-Europa zijn de laatste tijd aanzienlijk verslechterd door de almaar aanhoudende hitte en de hoge watertekorten. In zwaar getroffen regio’s wordt […]


Zomergewassen leiden het zwaarst onder hitte

31 aug 2026

Vooral zomergewassen hebben hinder ondervonden van de recente droogte en hitte in Europa.  Ook voor gras en voedergewassen is er vrees voor tekorten.

De vooruitzichten voor zomergewassen in West-Europa en het grootste deel van Centraal-Europa zijn de laatste tijd aanzienlijk verslechterd door de almaar aanhoudende hitte en de hoge watertekorten. In zwaar getroffen regio’s wordt plaatselijk soms helemaal niet geoogst. Het koelere en nattere weer dat nu heerst, komt voor veel teelten te laat.

De opbrengstprognoses van de EU voor alle zomergewassen zijn fors naar beneden bijgesteld. Ze liggen tot 14 procent onder het vijfjarig gemiddelde, ondanks dat de omstandigheden in delen van Noord- en Oost-Europa gunstiger waren. De oogstrapportage bevestigen een oogst van wintergewassen op het niveau van het vijfjarige gemiddelde ligt. Waar de omstandigheden ongunstig waren, is sprake van onder meer een verminderde vruchtbaarheid en biomassaopbouw, een slechte korrelvulling en voortijdige afrijping. De beperkte beschikbaarheid van irrigatiewater en beperkingen op het gebruik ervan, hebben de gewasstress in meerdere regio’s verder verergerd. In de meeste van deze regio’s in de situatie na juli enkel nijpender geworden.

Bron: EU Joint Research Centre

Praktijkproef toont geen grote emissiereductie door mestadditieven

Drie studenten van HAS green academy hebben in praktijkproeven op melkveebedrijven geen grote vermindering van ammoniak- en methaanemissies kunnen aantonen door mestadditieven. Volgens de onderzoekers wordt de uitstoot door zoveel verschillende factoren beïnvloed dat het effect van de middelen in de praktijk moeilijk afzonderlijk is vast te stellen.


Praktijkproef toont geen grote emissiereductie door mestadditieven

28 aug 2026

Drie studenten van HAS green academy hebben in praktijkproeven op melkveebedrijven geen grote vermindering van ammoniak- en methaanemissies kunnen aantonen door mestadditieven. Volgens de onderzoekers wordt de uitstoot door zoveel verschillende factoren beïnvloed dat het effect van de middelen in de praktijk moeilijk afzonderlijk is vast te stellen.

De vierdejaarsstudenten voerden het twintig weken durende onderzoek uit in opdracht van de Taskforce Toekomstbestendige Stallen 3.0. Ze combineerden literatuuronderzoek en gesprekken met deskundigen met metingen op drie melkveebedrijven. Op twee bedrijven werd een chemisch mestadditief toegepast, op het derde bedrijf een fysisch additief.

Voor de praktijkproeven sloten de onderzoekers aan bij het Brabantse project Continu Meten. Binnen dit project worden op 33 veehouderijlocaties gedurende het hele jaar de ammoniak- en methaanemissies gevolgd met sensoren in en rond de stal. Drie melkveebedrijven die aan dit meetprogramma deelnemen, werden gebruikt voor het onderzoek naar mestadditieven.

Praktijkeffect lastig vast te stellen

Voor verschillende mestadditieven worden emissiereducerende effecten geclaimd, maar de onderbouwing daarvan komt volgens de studenten veelal uit laboratoriumonderzoek. Onderzoek naar de werking onder Nederlandse praktijkomstandigheden is nog beperkt beschikbaar. Uit hun eigen metingen konden de studenten geen grote emissiereductie door de onderzochte middelen afleiden.

Een complicerende factor is de invloed van onder meer temperatuur en andere klimaatomstandigheden op de emissies. Daardoor bleek het statistisch moeilijk om een eventueel effect van het additief los te koppelen van andere factoren. De theoretische werking van de middelen kan volgens de onderzoekers plausibel zijn, maar voor een harde vergelijking zouden twee vrijwel identieke stallen nodig zijn. In de ene stal zou dan een mestadditief moeten worden toegepast en in de andere niet.

Stalmaatregelen mogelijk effectiever

Tijdens de praktijkproeven zagen de studenten dat aanpassingen in de stal soms een duidelijker effect hadden op de gemeten emissies. Op een van de bedrijven nam bijvoorbeeld de ammoniakemissie sterk af nadat op een warme dag de vernevelingsinstallatie was ingeschakeld.

Volgens de onderzoekers lijken maatregelen die ingrijpen op het stalsysteem daarom meer perspectief te bieden. Ze noemen onder meer mestscheiding en innovatieve stalconcepten als technieken waarmee mogelijk een grotere emissiereductie kan worden bereikt.

Bron: Brabant.nl

Methaanremmende voeradditieven en de maatschappelijke acceptatie

Een brede toepassing van methaanremmende voeradditieven in de melkveehouderij hangt niet alleen af van de technische werking en economische haalbaarheid. Ook de maatschappelijke acceptatie speelt een rol. Europees onderzoek onder 3.220 consumenten laat zien dat vooral chemisch geproduceerde toevoegingen op meer weerstand kunnen stuiten.


Methaanremmende voeradditieven en de maatschappelijke acceptatie

20 aug 2026

Een brede toepassing van methaanremmende voeradditieven in de melkveehouderij hangt niet alleen af van de technische werking en economische haalbaarheid. Ook de maatschappelijke acceptatie speelt een rol. Europees onderzoek onder 3.220 consumenten laat zien dat vooral chemisch geproduceerde toevoegingen op meer weerstand kunnen stuiten.

Onderzoekers van onder meer het Finse Natural Resources Institute Finland (Luke) en het Franse Institut de l’Élevage onderzochten de houding van consumenten in Finland, Frankrijk, Polen en Ierland. Ze vergeleken drie categorieën voeradditieven die de methaanemissie van melkvee kunnen verminderen: algen- en zeewierextracten, plantaardige oliën en vetten en het chemische 3-nitrooxypropanol (3-NOP). Deze laatste stof is onder meer het actieve bestanddeel van Bovaer.

Voorkeur voor natuurlijke toevoegingen

Uit het onderzoek blijkt dat consumenten natuurlijke toevoegingen in eerste instantie beter accepteren dan chemische alternatieven. Daarmee kan maatschappelijke weerstand tegen middelen als 3-NOP volgens de onderzoekers een belemmering vormen voor de toepassing ervan in de melkveehouderij.

Opvallend is echter wat er gebeurt wanneer consumenten aanvullende informatie krijgen. Bij 3-NOP neemt de acceptatie dan juist toe. Bij algen, zeewier en plantaardige oliën en vetten kan extra informatie daarentegen leiden tot een lagere acceptatie. Alleen communiceren dat een toevoeging van natuurlijke oorsprong is, biedt dus niet automatisch een voordeel.

Verschillen tussen consumentengroepen

De onderzoekers verdeelden de respondenten ook in groepen op basis van hun houding. Vooral consumenten die veel waarde hechten aan dierenwelzijn of bewust consumeren, reageerden negatiever op aanvullende informatie over algen en plantaardige oliën. Bij andere groepen veranderde de acceptatie daarvan weinig. Voor de chemische toevoeging 3-NOP leidde aanvullende informatie bij de meeste groepen juist tot een positievere houding.

De resultaten zijn daarmee relevant voor de verdere inzet van methaanremmers als klimaatmaatregel in de melkveehouderij. Niet alleen de effectiviteit van een middel, maar ook de manier waarop de techniek aan consumenten wordt uitgelegd, kan mede bepalen of grootschalige toepassing maatschappelijk haalbaar is.

Volgens de onderzoekers vraagt dit om verschillende communicatiestrategieën per type voeradditief en consumentengroep. Een algemene informatiecampagne kan zelfs averechts werken wanneer onvoldoende rekening wordt gehouden met bestaande opvattingen over onder meer dierenwelzijn en voedselproductie.

Het onderzoek is gepubliceerd in het Journal of Dairy Science.

Emissie meten bij melkkoeien met weidegang

In een web-bericht legt Connecting Agri & Food uit dat de gebruikelijk toegepaste methodiek voor emissiemeting uit melkveestallen niet goed kan meten bij weidende koeien. De organisatie gaat samen met DLV Advies op zoek naar hoe dit wel correct vastgesteld kan worden.

Om emissies uit koeienstallen te meten wordt gebruik gemaakt van een methodiek die de -massabalans genoemd wordt. De emissie uit de stal kan niet worden gemeten met de CO₂-massabalans als de koeien buiten de stal zijn. De reden daarvan is dat de meetmethodiek dan veronderstelt dat er enorm veel geventileerd wordt in de stal, omdat het CO₂-gehalte in de stal even hoog is als buiten de stal op het moment dat er geen koeien in de stal verblijven. Als dit hoge ventilatiedebiet in de methodiek wordt meegenomen, resulteert dat in een zeer hoge emissie als resultaat.

Aan Connecting Agri & Food, een strategische advies- en onderzoekspartner op het gebied van beleid, smart farming, markt en keten is de opdracht een methodiek te vinden waarmee de stalemissies wel goed bepaald kunnen worden als de koeien niet in de stal verblijven. Het onderzoek is aangevraagd door Connecting Agri & Food en DLV Advies. Melkveebedrijven met weidegang passen uiteenlopende strategieën toe. Dag en nacht beweiden, deeltijdbeweiding, beweiding van een deel van de veestapel en beweiding met robots waarbij er altijd koeien binnen kunnen zijn. De opdracht is voor elke strategie vaststellen wat de emissies bij weidegang zijn. Eerst onderzoeken DLV Advies en Connecting Agri & Food hoe de CO₂-massabalans juist kan worden ingezet bij stallen met weidegang.

Melkveebedrijven met weidegang passen uiteenlopende strategieën toe. Dag en nacht beweiden, deeltijdbeweiding, beweiding van een deel van de veestapel en beweiding met robots waarbij er altijd koeien binnen kunnen zijn. De opdracht is voor elke strategie vaststellen wat de emissies bij weidegang zijn. Eerst onderzoeken DLV Advies en Connecting Agri & Food hoe de CO₂-massabalans juist kan worden ingezet bij stallen met weidegang.


Emissie meten bij melkkoeien met weidegang

18 aug 2026

In een web-bericht legt Connecting Agri & Food uit dat de gebruikelijk toegepaste methodiek voor emissiemeting uit melkveestallen niet goed kan meten bij weidende koeien. De organisatie gaat samen met DLV Advies op zoek naar hoe dit wel correct vastgesteld kan worden.

Om emissies uit koeienstallen te meten wordt gebruik gemaakt van een methodiek die de -massabalans genoemd wordt. De emissie uit de stal kan niet worden gemeten met de CO₂-massabalans als de koeien buiten de stal zijn. De reden daarvan is dat de meetmethodiek dan veronderstelt dat er enorm veel geventileerd wordt in de stal, omdat het CO₂-gehalte in de stal even hoog is als buiten de stal op het moment dat er geen koeien in de stal verblijven. Als dit hoge ventilatiedebiet in de methodiek wordt meegenomen, resulteert dat in een zeer hoge emissie als resultaat.

Aan Connecting Agri & Food, een strategische advies- en onderzoekspartner op het gebied van beleid, smart farming, markt en keten is de opdracht een methodiek te vinden waarmee de stalemissies wel goed bepaald kunnen worden als de koeien niet in de stal verblijven. Het onderzoek is aangevraagd door Connecting Agri & Food en DLV Advies. Melkveebedrijven met weidegang passen uiteenlopende strategieën toe. Dag en nacht beweiden, deeltijdbeweiding, beweiding van een deel van de veestapel en beweiding met robots waarbij er altijd koeien binnen kunnen zijn. De opdracht is voor elke strategie vaststellen wat de emissies bij weidegang zijn. Eerst onderzoeken DLV Advies en Connecting Agri & Food hoe de CO₂-massabalans juist kan worden ingezet bij stallen met weidegang.

Melkveebedrijven met weidegang passen uiteenlopende strategieën toe. Dag en nacht beweiden, deeltijdbeweiding, beweiding van een deel van de veestapel en beweiding met robots waarbij er altijd koeien binnen kunnen zijn. De opdracht is voor elke strategie vaststellen wat de emissies bij weidegang zijn. Eerst onderzoeken DLV Advies en Connecting Agri & Food hoe de CO₂-massabalans juist kan worden ingezet bij stallen met weidegang.

Hectarepremie bemoeilijkt verduurzaming landbouw

De landbouw staat voor grote verduurzamingsopgaven, maar het Gemeenschappelijk Lanbouwbeleid (GLB) draagt daar niet effectief aan bij. “Het feit dat de steun gekoppeld is aan het aantal hectares, staat verduurzaming in de weg”, betoogt Jeroen Candel. Hij is universitair hoofddocent landbouw- en voedselbeleid aan Wageningen UR. Candel pleit voor afschaffing van de hectaresteun en ziet liever dat boeren worden betaald voor publieke diensten die bijdragen aan de maatschappelijke opgaven.


Hectarepremie bemoeilijkt verduurzaming landbouw

7 aug 2026

De landbouw staat voor grote verduurzamingsopgaven, maar het Gemeenschappelijk Lanbouwbeleid (GLB) draagt daar niet effectief aan bij. “Het feit dat de steun gekoppeld is aan het aantal hectares, staat verduurzaming in de weg”, betoogt Jeroen Candel. Hij is universitair hoofddocent landbouw- en voedselbeleid aan Wageningen UR. Candel pleit voor afschaffing van de hectaresteun en ziet…

Aanleiding voor het gesprek met Jeroen Candel is een studie van agro-ecoloog Ruben Savels van de Universiteit Gent, waarvan Candel een van de reviewers was (zie kader).

De Europese Unie keert jaarlijks 38 miljard euro uit aan directe betalingen aan boeren. Volgens Greenpeace is er sprake van een ‘scheve’ verdeling van de GLB-gelden tussen bedrijven. Greenpeace liet het Deense data-analysebureau Kaas & Mulvad in zes landen (Nederland, Tsjechië, Denemarken, Spanje, Italië en Griekenland) een vergelijkingsstudie doen en concludeert dat de rijkste bedrijven het gros van de GLB-subsidies ontvangen. Volgens Greenpeace gaat 27 procent van de directe betalingen naar 1 procent van de ondernemingen, en 78 procent naar 20 procent van de bedrijven.

Dat klopt wel, zegt Candel. “Europees gezien komt de steun vooral terecht bij de grootste bedrijven – 80 procent vloeit naar 20 procent van de bedrijven. Maar of dat wel of niet eerlijk is? Het is niet aan mij als wetenschapper om daarover te oordelen”, meent hij.

Candel kijkt liever naar de doelmatigheid van het beleid. Een van de GLB-doelen is het ondersteunen van de inkomenspositie van boeren. Maar als de steun puur wordt uitgekeerd op basis van het aantal hectares dat een boer bezit, zegt dat niks over de daadwerkelijke behoefte aan inkomensondersteuning op die bedrijven. Je kunt volgens Candel zelfs stellen dat de steun nu vooral terechtkomt bij boeren die het eigenlijk niet nodig hebben. “Het beleid is niet erg effectief en doelmatig in het ondersteunen van boereninkomens, omdat de steun gekoppeld is aan het aantal hectares.”

Jeroen Candel, universitair hoofd­docent WUR. Candel vindt het huidige GLB niet erg doelmatig, omdat GLB-gelden de kleinere bedrijven niet goed bereiken doordat de premies gebaseerd zijn op het aantal hectares bedrijfsomvang.

Met steun onder minimumloon

De Algemene Rekenkamer becijferde eerder dat een derde van de Nederlandse boeren ook mét inkomenssteun onder het bruto minimumloon zit, terwijl een derde van de inkomenssteun terechtkomt bij boeren met een inkomen boven twee keer modaal. “Een groot deel van de Europese subsidies gaat ook naar niet-actieve boeren. Zelfs de Camorra, de Italiaanse maffia, profiteert ervan. GLB-subsidies blijken fraudegevoelig.”

Die hectarepremies zijn ontstaan aan het begin van deze eeuw, en kwamen in de plaats van de op productie gebaseerde subsidies. “Dat moest een tussenoplossing zijn, onderweg naar een steun die gekoppeld is aan prestaties op het gebied van maatschappelijke diensten: denk aan landschapsbeheer, vogelbeheer, innovatiesteun – alles wat we als samenleving belangrijk vinden. Maar we zijn in de hectaresteun blijven hangen.” Het GLB-systeem ondersteunt daardoor vooral de status quo, en levert slechts een zeer beperkte bijdrage aan de klimaat- en milieudoelstellingen, stelt Candel.

Dat de hectarepremies hardnekkig overeind blijven in het GLB, komt mede doordat er binnen de EU veel (Oost-Europese) lidstaten zijn met grootgrondbezitters. “Soms zijn die gronden in handen van politici, of hun verwanten”, weet Candel. Zo bezit de Tsjechische minister-president Andrej Babiš via zijn zakelijke conglomeraat Agrofert meer dan 140.000 hectare aan landbouwgrond in Centraal-Europa, zo zocht het Amerikaanse persbureau Reuters uit. Ook zitten er in het Europarlement boeren die landbouwsubsidies ontvangen. “Die zitten daar omdat boeren zogezegd weten waar ze over praten. Maar we laten bedrijven als Shell toch ook niet het energiebeleid bepalen? Bij landbouw doen we dat wel. Dat verklaart mede waarom er zo weinig verandert.”

Boerenprotesten

Tegelijkertijd zijn ‘Brussel’ en regionale overheden gevoelig voor boerenprotesten, constateert de universitair hoofddocent. Hij verwacht dan ook niet dat de hectaregebonden steun zal komen te vervallen. “Er is een grote politieke druk om boeren tegemoet te komen. Zo is de Farm to Fork-strategie binnen de Green Deal duidelijk afgezwakt: een voorstel voor een nieuwe pesticidewet is ingetrokken – mede onder druk van grootschalige boerenprotesten in Brussel.” Doel van de wet was halvering van het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen. Voorgestelde strengere natuurdoelen in de Natuurherstelwet werden eveneens naar beneden bijgesteld. “Van de hele Green Deal voor de landbouw is niks over”, betreurt Candel.

Ook de zogeheten ‘conditionaliteiten’, de minimale voorwaarden waaraan boeren moeten voldoen om hectaresteun te kunnen ontvangen, zijn in de loop der tijd afgezwakt, ziet hij. De verplichting om 4 procent van de gronden braak te laten liggen omwille van de bodem en de biodiversiteit, is ingetrokken om de voedselzekerheid te versterken sinds de oorlog in de Oekraïne. De maatregel is nu vrijwillig. “En die gronden worden nu vooral ingezet voor de productie van meer diervoer.”

Uit de analyse van de Vlaamse agro-ecoloog Savels blijkt tevens dat de meest omvangrijke subsidies maar weinig bijdragen aan de milieudoelstellingen. De belangrijkste milieudoelstellingen waarop de landbouw een invloed heeft, zijn vastgelegd in Europese beleidskaders: de Nitraatrichtlijn (1991), de Vogelrichtlijn (1979) en de Habitatrichtlijn (1992), de Kaderrichtlijn Water (2000), de Farm to Fork-strategie (2020), de Klimaatwet (2021) en de Natuurherstelverordening (2024). Hoewel de indicatoren voor sommige doelstellingen, zoals erosievermindering en antibioticagebruik, positieve ontwikkelingen laten zien, blijken ze voor het gros van de milieudoelstellingen onduidelijk, of te stagneren. Denk aan stikstof en fosfor in het oppervlaktewater, het waterverbruik en het pesticideverbruik. Andere indicatoren verslechteren zelfs: de voorraad organische stof onder bouwland loopt terug, het aantal broedvogels in weiden en akkers daalt en de uitstoot van broeikasgassen neemt toe.

Figuur 2:  Verdeling glb-gelden per lidstaat. De oranje balk geeft aan hoeveel van de GLB-subsidies naar 20 procent van de bedrijven gaat. Het blauwe deel hoeveel naar de overige 80 procent.

Druppel op de gloeiende plaat

Hoewel er de laatste jaren binnen het GLB een verschuiving is opgetreden richting meer ecoregelingen, zijn deze ook volgens Candel niet erg effectief. Hij wijst op een rapport van de Europese Rekenkamer, dat in 2024 zeer kritisch oordeelde over de ecoregelingen. Hoewel de maatregelen op papier ‘groener’ ogen dan in de vorige GLB-periode, leveren ze onvoldoende substantiële milieu- en klimaatwinst op om de EU-doelen te halen. De maatregelen zijn vaak te vrijblijvend en te weinig ingrijpend, aldus de Rekenkamer. Die concludeert bovendien dat de cruciale elementen ontbreken om de daadwerkelijke ‘groene prestaties’ te meten. Hierdoor is het moeilijk te controleren of de miljarden aan uitbetaalde subsidies wel het gewenste effect hebben, aldus het rapport. “Als we kijken naar de totale klimaat- en milieu-opgaven, dan zijn de effecten van de ecoregelingen niet meer dan een druppel op de gloeiende plaat”, aldus Candel.

“Intussen liggen er voor de Nederlandse landbouw enorme verduurzamingsopgaven, en het GLB draagt er niet aan bij. Er vindt zelfs afzwakking plaats”, zegt hij. “Van al het geld dat wordt uitgekeerd binnen het GLB, komt 82 procent terecht bij de dierlijke sectoren: ofwel bij veehouders, ofwel bij degenen die veevoer produceren. Terwijl juist daar de grootste milieu-impact zit.”

De samenleving subsidieert boeren zonder dat er veel tegenprestaties tegenover staan, vervolgt Candel. “Zo behoud je het dominante systeem. Dat maakt dat boeren die wél willen verduurzamen, moeten opereren in een ongelijk speelveld.” Sterker nog: volgens onderzoeker Savels drijft het systeem van hectarepremies de grondprijzen op, waardoor kleinere boeren zelfs extra worden benadeeld als ze willen aankopen.

Figuur 1:  Gemiddelde verdeling GLB-gelden in zes landen. Gemiddelde verdeling van GLB-betalingen onder de grootste 1, 10 en 20 procent ontvangers in de door Kaas & Mulvad onderzochte landen. Bron: Greenpeace

Politiek ingewikkeld

Het landbouwbeleid is dus niet effectief voor de milieu- en klimaatdoelstellingen, maar het ligt politiek ingewikkeld om het te hervormen. “Er zijn te veel politieke actoren die baat hebben bij het huidige systeem. Zeker in het huidige politieke klimaat, waarin het Europarlement een ruk naar rechts heeft gemaakt en de klimaatkritische stem harder doorklinkt.” De rechterflank van het politieke spectrum is bovendien geneigd om zich te associëren met activistische boerengroeperingen zoals Farmers’ Defence Force, stelt hij.

Veel hoop dat het beter wordt in het nieuwe GLB, voor de periode na 2027, heeft Candel dan ook niet. Zoals de voorstellen nu liggen, ziet het ernaar uit dat er in plaats van een apart budget voor landbouw, plattelandsbeleid, regionaal beleid en migratiebeleid één grote pot komtd. “Dat biedt ruimte aan de individuele lidstaten om zelf te bepalen hoeveel geld ze willen besteden aan zaken als landbouwinkomens of verduurzaming. Nu is het in het GLB nog zo dat er een minimaal percentage wordt genoemd dat landen moeten besteden aan de ecoregelingen. Maar dat wordt volgens de voorstellen losgelaten – al zullen landen wel aan de doelen moeten voldoen.”

Hoe zou het dan wel moeten? Als Candel het mocht zeggen, werden de hectarepremies afgeschaft. “Mijn advies zou zijn om in plaats van het huidige systeem boeren te gaan betalen voor publieke diensten die ten goede komen aan de maatschappelijke opgaven. Dat is temeer van belang omdat je boeren nooit écht toekomstperspectief kunt geven als we niet toewerken naar een systeem dat past binnen de zogeheten planetaire grenzen van water, biodiversiteit, klimaat en stikstof. Dat betekent vooral: meer plantaardig, het sluiten van kringlopen. De overheid zégt wel in te zetten op de eiwittransitie, maar tot nog toe vloeit 82 procent van de totale GLB-gelden naar de dierlijke sectoren.”

Biologische sector

Voor de biologische sector geldt min of meer hetzelfde, meent Candel. “Nederland gebruikt de GLB-gelden niet om de omschakeling naar meer biologisch te stimuleren. In andere landen gebeurt dat wel. In Frankrijk bijvoorbeeld ondersteunt de overheid de biologische sector door bio in te kopen voor de scholen en ziekenhuizen – zo creëer je meer vraag.”

Met de eiwittransitie is voor Nederland de grootste winst te behalen, meent hij. “We hebben hier de grootste veedichtheid van Europa, waardoor ook de milieudruk in Nederland hoger is dan elders. Overschakelen naar meer plantaardig is een belangrijke stap.” Candel erkent dat er een reëel gevaar in schuilt dat dierlijke productie vanuit Nederland verschuift naar andere landen waar niet per se duurzamer wordt geboerd. Om die reden acht hij ook aanpassingen in het handelsbeleid en het bredere voedselbeleid noodzakelijk. “We zouden eigenlijk aan de consumptiekant moeten sturen, maar dat ligt politiek helemáál gevoelig, kijk maar naar de negatieve reacties op de nieuwe schijf van vijf. De eiwittransitie verloopt hier nog uiterst traag.”

Los van vrijwilligheid

Tegelijkertijd zullen we in Nederland los moeten komen van het idee dat alles op basis van vrijwilligheid moet gebeuren, vindt Candel. “Verduurzaming op vrijwillige basis is onvoldoende om de natuurdoelen te halen. Denk bijvoorbeeld aan het veenweidegebied. We weten dat het grondwaterpeil omhoog moet om veenafbraak en CO2-uitstoot te keren. Maar als dat op vrijwillige basis moet, kan elke boer in een veenweidegebied die verhoging tegenhouden. We hebben ook een Klimaatwet, en daaraan hebben we ons ook te committeren. Vanuit het GLB kunnen boeren vervolgens wel worden gecompenseerd voor die noodzakelijke vernatting.”

“Als we het landbouwbeleid willen gebruiken voor de doelen die nu gelden, zoals inkomenssteun voor boeren, dan zou ik zeggen: kies voor een systeem waarin je boeren beloont voor prestaties, voor omschakelen naar duurzame landbouw. Boeren krijgen pas écht een toekomstperspectief als ze de doelen halen op het gebied van water, klimaat en biodiversiteit.” En blijven de hectarepremies bestaan, zet dan in ieder geval een maximum op de totale vergoeding, en betaal meer voor de eerste hectares, betoogt de WUR-onderzoeker.


Vlaanderen: het kwart kleinste bedrijven krijgt 8 procent GLB-gelden

Ruben Savels van de universiteit Gent en zijn team analyseerden de financiële stromen in de Vlaamse landbouw. Daarbij stelden ze de vraag of het GLB een hefboom of hinderpaal is voor het leefmilieu, de biodiversiteit en het klimaat. Conclusie: het grootste deel van de 423 miljoen euro aan Vlaamse GLB-gelden in 2023 kwam terecht bij de grootste bedrijven, te weten melkveebedrijven, akkerbouwbedrijven, gemengde bedrijven en vleesveebedrijven. De 25 procent grootste bedrijven krijgen maar liefst 46 procent van de steun, terwijl de helft van de grootste bedrijven 74 procent van de uitgekeerde steun ontving. Het kwart kleinste bedrijven krijgt nog amper 8 procent van de totale uitgekeerde gelden.


Tekst: Gineke Mons