Berichtenoverzicht

‘Nuance, context, objectiviteit’

De Boerderij van de Toekomst in Lelystad stopt voorlopig. Joost Rijk, bedrijfsleider van de boerderij, is van huis uit fervent biologisch-dynamisch akkerbouwer. Op de boerderij van de toekomst stak hij veel op over gangbare landbouw.


‘Nuance, context, objectiviteit’

14 jan 2026

De Boerderij van de Toekomst in Lelystad stopt voorlopig. Joost Rijk, bedrijfsleider van de boerderij, is van huis uit fervent biologisch-dynamisch akkerbouwer. Op de boerderij van de toekomst stak hij veel op over gangbare landbouw.

Wat waren de doelen van de Boerderij van de Toekomst?

“Met zo min mogelijk chemie toch een levensvatbaar bedrijf neerzetten, met hoogwaardige, kwalitatief goede producten en minimale milieuschade. Als je dan op de gangbare markt opereert, zonder meerprijs, stuit je met het wegvallen van een groot deel van de chemie op grenzen. Met name bij onkruidbestrijding. In combinatie met niet meer ploegen, is dat een enorme uitdaging.”

Wat is de grootste uitdaging voor een duurzame, gangbare landbouw?

“Duurzaam is een lastige term in de landbouw, want die is per definitie niet duurzaam. Een ruimer bouwplan – met name het toevoegen van vlinderbloemigen – is voor de stikstofefficiëntie, structuur en biodiversiteit prachtig, maar er moet wel geld verdiend worden.”

Kunt u een voorbeeld geven van een belangrijk inzicht dat u opdeed?

“Waar ik enthousiast van werd, was het gebruik van robuuste aardappelrassen in 2024. Die ‘resistentie’ bleek niet voldoende in de biologische landbouw, maar één bespuiting hielp de resistentie wel in de benen – en we oogstten 70 ton per hectare. In die zin was dit duurzamer dan de biologische aardappelen, waarvan we 20 ton per hectare oogstten. Een diverser bouwplan, vaste-rijpaden-mechanisatie en het gebruik van robuuste rassen hebben potentie, maar zijn nog geen oplossing voor alle problemen die momenteel spelen. Ik heb geen principiële afkeer tegen chemie, en heb ook gezien waar de gangbare akkerbouwsector nu mee worstelt.”

Wat kunt u de sector en mogelijk nieuwe financiers van een vervolg op Boerderij van de Toekomst meegeven?

“Ik zou graag zien dat er vanuit alle perspectieven breder gekeken wordt naar de problemen die spelen. Daarom roep ik iedereen die bij de sector betrokken is op: probeer te communiceren vanuit een betere nuance, met meer context en een grote objectiviteit – want ik ben ervan overtuigd dat dat de sector écht verder kan helpen. Nuance, context en objectiviteit zijn kernwoorden waar het in de discussie over de landbouw om moet draaien. Naar mijn idee heb ik dat aan de hand van dit project altijd goed kunnen overbrengen aan beleidsbepalers, bezoekers en boeren. Zodoende was dit project een ontzettend mooi podium om in gesprek te gaan met de belanghebbenden in de sector.”

Veranderen? Als er reden is

In een overleg op het snijvlak van maatschappelijke acceptatie en ruimte voor wonen, werken, natuur en voedsel­productie, concludeerde ik dat we nog veel en vaak zullen moeten veranderen. Het eenvoudige antwoord van een tafelgenoot, van wie ik veronderstelde dat die niet zo veranderingsgezind was, was dat we altijd al aan het veranderen zijn en dat ook altijd zullen moeten blijven doen. Natuurlijk – we doen vandaag niet meer hetzelfde als tien jaar terug.


Veranderen? Als er reden is

12 jan 2026

In een overleg op het snijvlak van maatschappelijke acceptatie en ruimte voor wonen, werken, natuur en voedsel­productie, concludeerde ik dat we nog veel en vaak zullen moeten veranderen. Het eenvoudige antwoord van een tafelgenoot, van wie ik veronderstelde dat die niet zo veranderingsgezind was, was dat we altijd al aan het veranderen zijn en dat…

Velen zitten niet te wachten op verandering, zien dat als een aantasting van hun passie en het vele werk, vinden het niet leuk en verzetten zich ertegen. Dat wil niet zeggen dat er daadwerkelijk geen verandering ís. Het is er dagelijks. Logisch ook, kijk eens hoeveel mensen zich primair met verandering bezighouden. Ik vind verandering leuk. Maar, wat mij vandaag bevalt, bevalt een ander morgen niet meer. Ben je blij met hoe het is, dan kan verandering een doorn in het oog zijn. Ook die ervaring heb ik natuurlijk. Voel je je niet thuis in de situatie van vandaag, kun je jezelf er niet in ontplooien? Welke reden heb je dan nog om niet te willen veranderen? Niet tevreden zijn met hoe iets is, is in dat opzicht dus een belangrijke drijfveer in transities. Dat is de sleutel bij het in hun kracht komen van mensen in transitieprocessen.

Als je heel graag verandering wilt, écht heel graag, dan kun je ook in een tunnel terechtkomen. Gerda Verburg wees in een interview naar aanleiding van het manifest dat ze schreef met de topsector agri en food, op het blindstaren op minder dieren in de veehouderij. Dat is geen doel op zich, maar daartoe wel verheven. ‘Catch 22-politiek’ noemt de voormalig Landbouwminister dat. Kijken naar één probleem, maar dat niet samenbrengen met andere uitdagingen.

Het gaat bij een ander slecht, maar bij mij gaat het nog goed. Als dat de situatie is, ga je niet fundamenteel veranderen. Ben jij degene bij wie het slecht gaat, of niet naar wens, waarom zou je je dan niet inspannen om verandering teweeg te brengen? Iemand die tevreden is, zal zich niet opwerpen om verandering in de hand te werken. Maar dat wil niet meteen zeggen dat hij of zij het tegenhoudt.

CBL pleit vleesbenaming vleesvervangers te behouden

De Nederlandse supermarktsector benadrukt dat de eiwittransitie alleen kan slagen als overheid, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties samen optrekken. Zo schreef het Centraal Bureau Levensmiddelenhandel (CBL) eind vorig jaar in een brief aan de Tweede Kamer. De Nederlandse supermarktsector benadrukt dat de eiwittransitie alleen kan slagen als overheid, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties samen optrekken. Zo schreef […]


CBL pleit vleesbenaming vleesvervangers te behouden

8 jan 2026

De Nederlandse supermarktsector benadrukt dat de eiwittransitie alleen kan slagen als overheid, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties samen optrekken. Zo schreef het Centraal Bureau Levensmiddelenhandel (CBL) eind vorig jaar in een brief aan de Tweede Kamer.

De Nederlandse supermarktsector benadrukt dat de eiwittransitie alleen kan slagen als overheid, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties samen optrekken. Zo schreef het Centraal Bureau Levensmiddelenhandel (CBL) eind vorig jaar in een brief aan de Tweede Kamer.

Het CBL bood de Kamer ook een nieuwe versie van het Zichtboek Eiwittransitie aan. Het zichtboek is overzicht van initiatieven van de supermarktsector om de verschuiving van dierlijk naar plantaardig eiwit te ondersteunen.

In een andere brief van november vorig jaar, uit het CBL zorgen over het voorstel van het Europees Parlement om vleesgerelateerde namen voor plantaardige producten te verbieden. Dit verbod is onnodig, schiet het doel voorbij en werkt contraproductief voor de eiwittransitie. Zo stelt het CBL en roept Europese beleidsmakers op het voorstel te heroverwegen.

Consument kan onderscheid maken

Consumenten kunnen het onderscheid tussen vleesproducten en vegetarische producten goed maken. In een onderzoek van het Nederlandse consumentenprogramma Radar gaf 96 procent van de ondervraagden aan te begrijpen dat een vegaworst geen vlees bevat. Ook recent onderzoek van de Europese consumentenorganisatie BEUC2 laat zien dat een ruime meerderheid van consumenten geen bezwaar heeft tegen het gebruik van vleesgerelateerde namen voor plantaardige producten.

Hybride producten

Bovendien vindt het CBL dat dit verbod voor nieuwe problemen zorgt nu hybride producten de markt betreden. Hybride producten bevatten zowel vlees als vleesvervangers.

Hoewel het Europees Parlement in oktober 2025 instemde met het benamingsverbod, hebben het Parlement, de Europese Commissie en de 27 lidstaten nog geen overeenstemming bereikt.

Bronnen: CBL, Duurzaamn Ondernemen

Effect hoog grondwaterpeil op bedrijfsvoering en emissies veenweiden

Wat betekent een grondwaterstand van 20 cm onder maaiveld voor de bedrijfsvoering op een melkveebedrijf in het veenweidegebied? En hoe groot is de broeikasgasbeperking? Op de Hoogwaterboerderij op KTC Zegveld werden vanaf 2020 de effecten onderzocht van hoog grondwater op de bedrijfsvoering en op de uitstoot van ammoniak en broeikasgassen.


Effect hoog grondwaterpeil op bedrijfsvoering en emissies veenweiden

5 jan 2026

Wat betekent een grondwaterstand van 20 cm onder maaiveld voor de bedrijfsvoering op een melkveebedrijf in het veenweidegebied? En hoe groot is de broeikasgasbeperking? Op de Hoogwaterboerderij op KTC Zegveld werden vanaf 2020 de effecten onderzocht van hoog grondwater op de bedrijfsvoering en op de uitstoot van ammoniak en broeikasgassen.

Door Jeroen Pijlman, Nyncke Hoekstra (Louis Bolk Instituut), Nick van Eekeren (Louis Bolk Instituut, WUR) en Wim Honkoop (PPP-Agro Advies)

Een grondwaterstand het hele jaar van 10 tot 20 cm onder het maaiveld leidt op veengrond tot een minimale uitstoot van broeikasgasemissies uit de bodem, blijkt uit wetenschappelijk onderzoek (Jurasinski et al., 2016; Evans et al., 2021; Aben et al., 2024). Maar wat betekent een hoge grondwaterstand voor een melkveebedrijf op veen? Om die vraag te beantwoorden is in 2020 een systematische vergelijking gestart tussen drie bedrijfssystemen: één systeem met Holstein-koeien en een reguliere grondwaterstand (slootwaterpeil circa 45 cm onder maai­veld en geen waterinfiltratiesysteem (WIS) – HF-L), en twee systemen met óf Holstein- óf Jersey-koeien en een hoge streefgrondwaterstand (20 cm onder maaiveld en WIS) – HF-H en J-H).

Met een waterinfilratiesysteem wordt de grondwaterstand verhoogd (links). Rechts KTC Zegveld. De Hoogwaterboerderij is gevestigd op het Kennis Transfer Centrum. (Foto: Veenweide Innovatiecentrum)

De keuze voor Jersey-koeien kwam voort uit de vraag of dit koeras mogelijk beter past in een bedrijfsvoering met een hoge grondwaterstand. De veebezetting van het Jersey-bedrijf was hoger, omdat Jerseys kleiner en lichter zijn dan Holstein-koeien. Echter, uitgedrukt in kilogrammen metabool gewicht per hectare (een maat voor de hoeveelheid metabool actieve weefsels) was de veebezetting gelijk met de Holstein-bedrijfssystemen. Daarnaast werd op de verschillende bedrijfssystemen evenveel kunstmest gegeven (80 kg N per hectare). Drijfmestgiften konden licht verschillen door een andere mestsamenstelling (circa 225 kg N per hectare bij aanvang van het onderzoek).

De stikstof- en fosfaatkringlopen van de bedrijfssystemen zijn in beeld gebracht met de Kringloopwijzer (versie 2024.13). Hiervoor zijn, naast de gebruikelijke gegevens, in detail de hoeveelheid weidegang, de graskuilaanleg en het ruwvoer-, krachtvoer-, drijfmest- en kunstmestgebruik bijgehouden (onder andere via weegbrugmetingen en extra analyses). Daarnaast is Somers 2.0 van het Nationaal Onderzoeksprogramma Broeikasgassen Veenweiden (NOBV) gebruikt om de broeikasgasemissies uit de veenbodem te schatten. Het NOBV meet broeikasgassen uit veenbodems op meerdere plaatsen in Nederland, waaronder op een van de percelen van de Hoogwaterboerderij.

Alle cijfers in dit artikel zijn vierjarige gemiddelden (2021-2024), tenzij anders aangegeven. De gevonden resultaten gelden specifiek voor de onderzochte bedrijfssystemen.

Holsteins: hoog versus laagwater

Op het Holstein-bedrijfssysteem met de hoge grondwaterstand was de graslandproductie gemiddeld bijna 300 kg droge stof per hectare lager (3 procent), en waren de KVEM-productie van het grasland en het ruweiwitgehalte van het gras gemiddeld vijf procent lager, dan op het bedrijfssysteem met reguliere ontwatering (zie tabel 1). Op het bedrijfssysteem met hoge waterstand was het verschil in grasgroei met de reguliere ontwatering kleiner dan op het Jersey-bedrijfssysteem (11 procent).

Ondanks de verschillen in grasgroei was de meetmelkproductie per hectare gelijk bij de hoge en lage grondwaterstand. Dit kwam door een grotere compensatie met aangekocht ruw- en krachtvoer op het bedrijfs­systeem met de hoge grondwaterstand. De aanvullingen in het rantsoen waren nodig om de koeien van het op gras gebaseerde rantsoen in conditie te houden. Als wordt aangenomen dat elke procent eiwit of VEM in het rantsoen dezelfde bijdrage gaf aan de meetmelkproductie, dan was de productie uit eiwit of VEM van eigen land 5 à 6 procent lager bij de hoge grondwaterstand. Dit is redelijk in lijn met de lagere grasproductie die is gemeten op afgerasterde maaiplotjes bij de hogere grondwaterstand waar rij- en vertrappingsschade verwaarloosbaar waren (zie Hoekstra et al. in V-focus september 2025). Dit duidt erop dat extra opbrengst­derving van het hoge grondwaterpeil door vertrappingsschade en andere weideverliezen beperkt was.

Wel waren de verschillen tussen reguliere ontwatering en de hoge grondwaterstand vooral in het natte jaar 2024 groter dan in de andere jaren. Dit jaar had een uitzonderlijk nat groeiseizoen waardoor er minder maar zwaardere grasoogsten waren en er minder beweiding plaatsvond, wat gunstig was voor de drogestofproductie van het grasland en ongunstig voor de graskwaliteit (gras met een lager gehalte VEM en ruw eiwit). In de drogere jaren waren er slechts kleine verschillen in weidedagen, maaidata en graskwaliteit tussen de hogere en lagere grondwaterstand.

Jersey versus Holstein bij hoogwater

De grasgroei op basis van de Kringloopwijzer op het bedrijfssysteem met Jersey-koeien was, tegen de verwachting in, circa 750 kg droge stof per hectare lager dan op het Holstein-hoogwaterbedrijfssysteem.

Er zijn hiervoor meerdere verklaringen mogelijk. Bij het Jersey-bedrijfssysteem was de berekende weidegrasopname vergelijkbaar met die van Holstein-koeien bij de hoge grondwaterstand, ondanks de lagere grasgroei. Dat komt mogelijk doordat de wat actievere Jerseys gemiddeld meer tijd besteedden aan beweiding, wat een hogere weidegrasopname kan geven. Maar actievere koeien kunnen meer vertrappingsschade opleveren, wat juist negatief is voor de grasgroei. Ook kan de lagere grasgroei bij de Jersey’s samenhangen met de rekenregels van de Kringloopwijzer. Die rekent namelijk met een groter verschil in lichaamsgewicht tussen Holstein-koeien en Jersey-koeien dan er in werkelijkheid was, waardoor de verschillen in weidegrasopname tussen Jersey en Holstein kan zijn onderschat.

Kringlopen en ammoniak

Op het Holstein-bedrijfssysteem met de hoge grondwaterstand was de stikstof- en fosfaataanvoer wat hoger dan op het bedrijfssysteem met reguliere ontwatering (zie tabel 2). Dat kwam met name door de hogere ruwvoeraanvoer als compensatie voor de lagere grasgroei en -kwaliteit. Omdat meetmelkproducties per hectare gelijk waren op beide bedrijfssystemen, geldt dat ook voor stikstof- en fosfaatafvoer via melk. Dit betekent dat de bodemoverschotten licht stegen bij de hoge grondwaterstand.

De fosfaatoverschotten zijn overigens deels negatief omdat de bodemlevering van fosfor niet is meegerekend als bodemaanvoer. Voor de stikstofkringloop waren veranderingen complexer: het 5 gram per kg lagere eiwit­gehalte in het rantsoen had een klein gunstig effect op ammoniakemissies: die daalden met 2 kg per hectare. Ook lachgasemissies in de stal en mestopslag daalden hierdoor met 2 procent. Echter, door een lagere grasgroei en -kwaliteit was de stikstofopname vanaf de bodem lager, en nam per saldo het stikstofbodemoverschot toe, wat een grotere uit- en afspoeling kan geven.

Op het Jersey-bedrijfssysteem met de hoge grondwaterstand waren er soortgelijke verschuivingen in de stikstof- en fosfaatkringloop als op het Holstein-bedrijfssysteem met reguliere ontwatering. Met name omdat het Jersey-bedrijfssysteem relatief de grootste ruwvoeraanvoer had, stegen de bodemoverschotten van stikstof- en fosfaat bij dit bedrijfssysteem relatief het meest.

Broeikasgasemissies

Het Holstein-bedrijfssysteem met de hoge grondwaterstand had netto 16 procent lagere broeikasgasemissies per hectare en per kilo meetmelk dan het bedrijfssysteem met reguliere ontwatering, vooral als gevolg van het beperken van CO2-emissies uit de bodem (zie tabel 3). Hierbij is aangenomen dat de hoge grondwaterstand geen effect heeft op methaan- en lachgasemissies uit de bodem. Dat lachgasemissies uit de bodem en sloot 2 à 3 procent lager zijn berekend, is het gevolg van een gemiddeld kleinere stikstofaanvoer uit weide- en kunstmest bij deze systemen. Emissies uit aangevoerd voer en extern geproduceerde kunstmest, het energiegebruik en methaan uit pensfermentatie waren juist hoger bij de hogere grondwaterstand. Dit komt vooral door de grotere ruwvoeraanvoer per hectare, waardoor de broeikasgasproducties van de teelt buiten het bedrijf stijgen.

Ook het energieverbruik was hoger, onder andere door het relatief grotere aandeel kuilgras ten opzichte van weidegras in het rantsoen bij de hoge grondwaterstand. Het voeren van kuilgras vraagt dieselverbruik, wat niet nodig is als koeien zelf weidegras opnemen. Ook de methaanemissie uit pensfermentatie is hoger, een gevolg van relatief minder weidegras ten opzichte van kuilgras in het rantsoen, en een minder goede kwaliteit van het kuilgras.

Lachgasemissies uit de stal en mestopslag waren juist lager, vooral door de gemiddeld lagere eiwitgehaltes in het rantsoen bij de hoge grondwaterstand.

Op het Jersey-bedrijfssysteem bij de hoge grondwaterstand waren er soortgelijke verschuivingen in de broeikasgasemissies. Daar was de netto broeikasgasemissie 15 procent lager dan bij het Holstein-bedrijfssysteem met reguliere ontwatering.

Conclusies

  • De graslandproductie op basis van de Kringloopwijzer was 3 procent lager en gras-ruweiwitgehalten waren gemiddeld 5 procent lager op het Holstein-bedrijfssysteem met de grondwaterstand van 20 cm onder maaiveld tegenover reguliere ontwatering. Op het bedrijfssysteem met Jersey-koeien was de grasproductie 11 procent lager. De melkproductie uit eiwit of VEM van eigen land was 5 à 6 procent lager bij de hoge grondwaterstand.
  • De streefgrondwaterstand van 20 cm onder maaiveld leidde gemiddeld tot 15 à 16 procent lagere netto broeikasgasemissies en 4 à 10 procent lagere ammoniakemissies. De broeikasgasdaling kwam vooral door lagere bodememissies. Broeikasgasemissies gerelateerd aan voeraankopen stegen echter.
  • Bodemoverschotten van stikstof (8 à 13 kg per hectare) en fosfaat (5 à 8 kg per hectare) namen echter wel toe, wat met name voor stikstof meer verliezen vanuit de bodem kan betekenen.
  • Dit onderzoek geeft inzicht in de te ver­wach­ten effecten van een grondwaterstandverhoging op andere bedrijven, maar omdat ze bedrijfsspecifiek zijn kunnen ze niet een-op-een doorvertaald worden.

Van Lankveld commercieel directeur Voergroep Zuid

André van Lankveld is de nieuwe commercieel directeur van Voergroep Zuid. Met de aanstelling wil het concern de commerciële slagkracht in een krimpende mengvoermarkt vergroten.


Van Lankveld commercieel directeur Voergroep Zuid

5 jan 2026

André van Lankveld is de nieuwe commercieel directeur van Voergroep Zuid. Met de aanstelling wil het concern de commerciële slagkracht in een krimpende mengvoermarkt vergroten.

Van Lankveld werkte de afgelopen vijf jaar bij DSM-Firmenich, waarvan de laatste jaren als directeur DSM-ANH Nederland. Daarvoor werkte hij in diverse commerciële functies bij Biomin en Provimi/Cargill. “Ik heb veel zin om bij Voergroep Zuid aan de slag te gaan. Het is een sterke regionale coöperatie vol ambitie. Dat spreekt mij enorm aan. Daar lever ik met mijn kennis en ervaring graag een bijdrage aan”, aldus de nieuwe commercieel directeur.

PFAS-verbod: geen drama voor de landbouw

In 2026 of 2027 komt er naar verwachting een algemeen Europees PFAS-verbod. Zoals het er nu naar uitziet, zal dat weinig directe gevolgen hebben voor de agrarische sector. Voor gewasbeschermings­middelen en biociden geldt namelijk een uitzondering.


PFAS-verbod: geen drama voor de landbouw

18 dec 2025

In 2026 of 2027 komt er naar verwachting een algemeen Europees PFAS-verbod. Zoals het er nu naar uitziet, zal dat weinig directe gevolgen hebben voor de agrarische sector. Voor gewasbeschermings­middelen en biociden geldt namelijk een uitzondering.

De maatschappelijke bezorgdheid over PFAS neemt toe. Daarom dienden vijf landen in 2023 een voorstel in voor een Europees totaalverbod op de productie, verkoop en het gebruik van PFAS. Initiatiefnemers waren Nederland, Duitsland, Denemarken, Zweden en Noorwegen.

Andere wettelijke kaders

De agrarische sector heeft met name te maken met PFAS die zijn toegepast in gewasbeschermingsmiddelen, biociden (ongediertebestrijding) en diergeneesmiddelen. PFAS als werkzame stof in deze middelen valt echter buiten het algemene Europese PFAS-verbod omdat de toelating van die middelen verloopt via andere wettelijke kaders waarbij veiligheid voor mens, dier en milieu wordt meegewogen in het toelatingsbesluit.

PFAS (per- en polyfluoralkylstoffen) is een groep chemische stoffen die slecht afbreken en die risico’s kunnen opleveren voor mens en milieu. Ze worden ook wel ‘forever chemicals’ genoemd. PFAS zijn water-, vet- en vuilafstotend en sommige zijn tevens brandwerend. Onder de naam PFAS vallen duizenden verschillende stoffen, waaronder PFOS, PFOA en GenX-stoffen. Sinds november 2024 staan alle PFAS in Nederland op de lijst met ‘zeer zorgwekkende stoffen’. Voor deze stoffen geldt een minimalisatieplicht: bedrijven moeten voorkomen dat ze PFAS uitstoten naar lucht en water.

Er zijn in gewasbeschermingsmiddelen 25 werkzame stoffen toegelaten met een PFAS-verbinding. Uit informatie van het ministerie van Landbouw Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) blijkt dat er 105 toegelaten gewasbeschermingsmiddelen (10 procent van het totaal) en 3 biociden (1 procent) zijn met een werkzame stof die onder de definitie van PFAS valt.

Daarnaast kunnen gewasbeschermingsmiddelen en biociden hulpstoffen bevatten, die bijvoorbeeld de hechting, verdeling of opname van de werkzame stof verbeteren. Hulpstoffen die onderdeel zijn van de formulering, zijn wél onderdeel van het restrictievoorstel, het PFAS-verbod. Die zullen worden uitgefaseerd. Er zijn vijf toegelaten gewasbeschermingsmiddelen en één biocide met PFAS als hulpstof. In die gevallen moet de fabrikant op zoek naar een PFAS-vrije hulpstof, of het middel van de markt halen.

Schadelijk afbraakproduct

Recentelijk wordt er in het conceptverbod ook gekeken naar afbraakproducten van PFAS uit gewasbeschermingsmiddelen met een fluoratoom. Als die middelen in de bodem worden afgebroken, kan er trifluor­azijnzuur (TFA) overblijven. Ook TFA valt onder de definitie van PFAS. Die fluorverbinding is uitermate sterk, en wordt niet verder afgebroken in het milieu. Als trifluor­azijnzuur in het grondwater terechtkomt, kan dat uiteindelijk schadelijke gevolgen hebben voor de voortplanting, zowel van dieren als van mensen.

De aandacht voor dit afbraakproduct TFA is relatief nieuw, volgens woordvoerder Hans van Boven van het Ctgb, het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Het Cgtb onderzoekt op dit moment tientallen middelen op de mate waarin die metaboliseren tot TFA. De uitkomsten van het onderzoek worden eind dit jaar verwacht. “Niet alle stoffen met een ­fluorverbinding hoeven te leiden tot TFA. Maar als het gehalte hoog is, dan heeft dat waarschijnlijk wel gevolgen”, verwacht Van Boven.

Het RIVM adviseert om geen eieren van hobbykippen te eten. Dergelijke particuliere eieren kunnen veel PFAS bevatten, zo blijkt uit onderzoek van het RIVM op zestig locaties in Nederland. Op 31 van die locaties krijgen mensen al meer PFAS binnen dan de gezondheidskundige grenswaarde als zij minder dan één ei van eigen kippen per week eten.
De NVWA test commerciële eieren steekproefsgewijs op PFAS en vindt daar geen overschrijdingen van de norm. Ook bij eieren van biologische vrije-uitloopkippen blijven de gehaltes PFAS onder de norm. De oorzaak van het verschil tussen hobbykippen en andere vrije-uitloopkippen is nog bron van onderzoek door het RIVM.
Caring Farmers, Urgenda en Herenboeren lieten onderzoek doen naar eieren van kleinschalige commerciële pluimveehouders, tot 249 kippen – bijvoorbeeld bedrijven met een verrijdbare kippenuitloop op gras. Bij 27 van de 28 bedrijven lag de PFAS-waarde onder de norm.

Het is nog te vroeg om daarop vooruit te lopen, maar het kan bijvoorbeeld betekenen dat de toelating van een middel wordt aangepast, of eventueel volledig wordt ingetrokken. De Efsa, de Europese voedselveiligheidsautoriteit, werkt aan een nieuwe norm voor TFA.

Beperkte gevolgen

Zoals het er nu naar uitziet, zijn de gevolgen van het concept-PFAS-verbod voor de agrarische sector voor wat betreft middelengebruik niet al te groot. “Maar: PFAS is overal aanwezig, ook bijvoorbeeld in technische installaties, elektronische apparatuur en smeermiddelen die worden gebruikt op het boerenerf. Denk aan kunststof afdichtringen in een melkrobot”, schetst Richard Luit. Hij is hoofd van bureau Reach (onderdeel van het RIVM) dat meeschrijft aan het Europese PFAS-verbod.

In hoeverre ben je als boer verantwoordelijk voor PFAS in de producten die jouw erf verlaten? Sinds 2023 gelden er Europese maximumlimieten voor PFAS in een aantal levensmiddelen. Het gaat vooralsnog om vlees van varkens, rundvee, schapen en pluimvee, vis en eieren. De NVWA controleert steekproefsgewijs of de limieten niet worden overschreden. Voor andere levensmiddelen (groenten, fruit, graan) zijn echter nog geen maximumgehaltes vastgesteld, meldt de NVWA. Daarvoor moet eerst nog meer onderzoek worden gedaan.

Veehouders die vermoeden dat hun dieren in (mogelijk) besmette gebieden hebben gegraasd, doen er goed aan om ze eerst te laten screenen, voordat ze naar het slachthuis gaan. Dit om problemen te voorkomen zoals gebeurde met het vlees van runderen die hadden gegraasd in het Verdronken land van Saefthinge in Zeeuws-Vlaanderen. Dat vlees bevatte te hoge concentraties PFAS.

Veehouders zijn er zelf verantwoordelijk voor dat alleen dieren naar het slachthuis worden gebracht die geschikt zijn voor menselijke consumptie. PFAS kan worden gemeten via bloedonderzoek. Voor runderen geldt een richtwaarde van maximaal 2,5 microgram PFOS (een type PFAS) per liter bloedplasma. Voor schapen is de richtwaarde in ontwikkeling, aldus de NVWA.

Volgens Luit wordt er in het PFAS-verbod wel degelijk rekening gehouden met de levensduur van noodzakelijke technische toepassingen in bijvoorbeeld trekkers. “We werken met lange transitieperiodes van minimaal twaalf jaar, tot in sommige gevallen zelfs wel twintig of dertig jaar, als je rekening houdt met servicecontracten en de beschikbaarheid van reserveonderdelen voor technische installaties”, zegt hij geruststellend. Pas aan het einde van de levensduur moet er worden overgegaan op techniek zonder PFAS. Anderzijds geldt voor smeermiddelen met teflon (PTFE-spray, WD40-droogspray) dat die waarschijnlijk wel snel verboden gaan worden, zodra het PFAS-verbod ingaat.

Iedereen in Nederland heeft meerdere soorten PFAS in het bloed. En bij vrijwel iedereen is die hoeveelheid hoger dan de gezondheidskundige grenswaarde. Dat blijkt uit het eerste landelijke onderzoek van het RIVM.

Het RIVM testte afgelopen jaar 1.500 bloedmonsters uit 2016 en 2017 op de aanwezigheid van 28 soorten PFAS. In bijna alle bloedmonsters werden minimaal zeven typen PFAS gevonden. De meest gevonden stof is PFOS, gevolgd door PFOA. Vijf van de onderzochte stoffen werden bij niemand aangetroffen.

Mensen kunnen contact met PFAS bijna niet voorkomen. Deze persistente stoffen zitten in heel Nederland in de bodem, net als in voedsel en drinkwater. Het Voedingscentrum adviseert om gevarieerd te eten om minder PFAS binnen te krijgen.

Smeermiddelen en machineonderdelen kunnen PFAS bevatten.

Nederland telt 49.900 landbouwbedrijven

Nederland telde bij aanvang van 2025 49.900 landbouwbedrijven. Voor het eerst onderschreed het aantal landbouwbedrijven de 50.000. 700 bedrijven stopten in 2024. Van de 700 landbouwbedrijven die stopten in Nederland in 2024, waren de helft melkveebedrijven. 3,1 procent van de melkveebedrijvens stopte vorig jaar. Dat zijn ruim 400 bedrijven. De melkveehouderij is in absolute zin […]


Nederland telt 49.900 landbouwbedrijven

9 dec 2025

Nederland telde bij aanvang van 2025 49.900 landbouwbedrijven. Voor het eerst onderschreed het aantal landbouwbedrijven de 50.000. 700 bedrijven stopten in 2024.

Van de 700 landbouwbedrijven die stopten in Nederland in 2024, waren de helft melkveebedrijven. 3,1 procent van de melkveebedrijvens stopte vorig jaar. Dat zijn ruim 400 bedrijven. De melkveehouderij is in absolute zin de grootste krimper. De rundveestapel kromp met 1,9 procent in 2024. De varkensstapel met 3,1 procent. De uitkoopregeling speelt daar uiteraard een rol in.

Nederland telde begin dit jaar ruim 4.500 intensieve veehouderijen. Daar is sprake van drie procent krimp in aantal bedrijven.

13 procent van de Nederlandse bedrijven valt in de catgorie zeer groot. Deze 13 procent zorgt voor meer dan 30 procent van de toegevoegde waarde. De gemiddelde balanswaarde van een Nederlands land- of tuinbouwbedrijf is 4,4 miljoen euro.

Bron: Wageningen Social & Economic Research

Internationale aanbeveling methaanremmers

De druk op de veehouderij om haar bijdrage aan broeikasgasemissies te reduceren neemt wereldwijd toe. Enterisch methaan van herkauwers vormt daarbij een belangrijke uitdaging. Door gerichte inzet van voeradditieven kunnen emissie dalen. In een recent gepubliceerde reeks wetenschappelijke artikelen in het Journal of Dairy Science bieden zes studies van de Global Research Alliance internationaal afgestemde richtlijnen voor de ontwikkeling, toetsing en toepassing van deze zogenoemde ‘antimethanogene voeradditieven’, afgekort AMFA.


Internationale aanbeveling methaanremmers

8 dec 2025

De druk op de veehouderij om haar bijdrage aan broeikasgasemissies te reduceren neemt wereldwijd toe. Enterisch methaan van herkauwers vormt daarbij een belangrijke uitdaging. Door gerichte inzet van voeradditieven kunnen emissie dalen. In een recent gepubliceerde reeks wetenschappelijke artikelen in het Journal of Dairy Science bieden zes studies van de Global Research Alliance internationaal afgestemde…

Door Wilbert Beerling op basis van zes studies, gepubliceerd in het themanummer ‘Feed Additives for Methane Mitigation’ van het Journal of Dairy Science (2025)

Begin 2025 zijn internationale technische richtlijnen gepubliceerd voor de ontwikkeling en toelating van voeradditieven om enteriche methaanemissie door runderen te verminderen. De richtlijnen zijn afkomstig van het Feed Additives Flagship Project, geleid door het Feed and Nutrition Network van de Global Research Alliance on Agricultural Greenhouse Gases (GRA) en gefinancierd door het Global Dairy Platform.

Meer dan 60 onderzoekers van 46 instellingen uit 23 landen waren betrokken bij de totstandkoming van de gedetailleerde richtlijnen. De richtlijnen bestrijken het volledige traject: van de ontwikkeling tot de toepassing van voeradditieven. Het doel is om wetenschappers en beleidsmakers in de sector te ondersteunen bij het versnellen van de ontwikkeling van methaanreducerende voeradditieven, om zo de uitstoot van broeikasgassen door herkauwers fors te verminderen.

Aanpak

Klimaatverandering is een van de grootste uitdagingen van onze tijd, en methaan is – na kooldioxide – het op één na krachtigste broeikasgas. Hoewel methaan een korte levensduur heeft in de atmosfeer, maakt het krachtige opwarmende effect – meer dan 80 keer sterker dan CO₂ in de eerste 20 jaar na uitstoot – het terugdringen van methaan een essentieel onderdeel van klimaatmaatregelen.

Een belangrijke bron van methaanemissies zijn landbouwhuisdieren, zoals koeien en schapen. Deze herkauwers produceren enterisch methaan tijdens de spijsvertering en methaan via hun mest. Om deze emissies aan te pakken, lijken voeradditieven een veelbelovende oplossing om enterische methaanemissies aanzienlijk te verminderen.

Van innovatie naar richtlijnen

Het hoofddoel van het Feed Additives Flagship Project, zeg maar het koploperproject, is om de wetenschap en de veehouderij­sector te voorzien van praktisch toepasbare technische richtlijnen voor het identificeren, testen en implementeren van effectieve voederadditieven die internationaal in wet- en regelgeving toepasbaar zijn. Om tot richtlijnen te komen zijn zes studies gedaan die elk een deel van het ontwikkel- en toelatings­procedé invulling geven:

  1. Richtlijnen voor opsporen en testen van stoffen die methaanproductie door pensmicroben verminderen (Zoey Durmic et al.).
  2. Best practices voor het evalueren van de effectiviteit en veiligheid van additieven bij levende dieren onder praktijkomstandig­heden (Alexander Hristov et al.).
  3. Aanbevelingen voor het modelleren van de impact van voederadditieven in verschillende productiesystemen (Jan Dijkstra et al.).
  4. Inzichten in de biochemische mechanismen van voederadditieven om hun ontwikkeling en acceptatie te verbeteren (Alejandro Belanche et al.).
  5. Overzicht van de wettelijke vereisten in verschillende rechtsgebieden om veilig en effectief gebruik van additieven te garanderen (Juan Tricarico et al.).
  6. Methoden om de gerealiseerde methaanreductie via voederadditieven te kwantificeren (Agustin del Prado et al.).

    Wereldwijde Impact

    Alle zes artikelen zijn gepubliceerd in het januari 2025-nummer van het Journal of Dairy Science, in een themanummer. De artikelen zijn vrij toegankelijk en gratis beschikbaar, waardoor ze wereldwijd toegankelijk zijn voor zowel wetenschappers als professionals in de veehouderijsector.

    Bij het terugdringen van methaanemissies door voor productie gehouden herkauwers wordt vanuit diverse disciplines – zoals voeding, fokkerij en management – intensief gezocht naar maatregelen die op bedrijfs­niveau effectief zijn. Tot op heden zijn maatregelen op het gebied van diervoeding nog steeds de meest voor de hand liggende. Het grootste nadeel daarvan – namelijk de noodzaak tot permanente toepassing en de onzekerheid over hun langetermijneffectiviteit – kan ondervangen worden met genetische maatregelen. Hoewel er op dit gebied aanzienlijke inspanningen worden geleverd, zijn er nog geen indicatoren om individuele herkauwers met lage methaanemissies nauwkeurig en tegen redelijke kosten te kunnen identificeren. Voor melkkoeien is de meest besproken indicator een index, afgeleid van het mid-infraroodspectrum van melk, maar ook hier is verdere verfijning nodig om bruikbare gegevens te verkrijgen onder uiteenlopende bedrijfsomstandigheden (Denninger et al., 2020).

    Praktische toepasbaarheid

    De afgelopen decennia is veel onderzoek gedaan naar methaanreductie via voedingsmaatregelen, zowel in vivo als in vitro. De bevindingen waren onderwerp van verschillende reviews en meta-analyses (recent: Arndt et al., 2022 en Hristov, 2024). Echter, veel van deze publicaties beperken zich tot het bevestigen en kwantificeren van antimethanogene effecten, het vergelijken met andere studies, en het aandragen van ideeën over de mogelijke biologische achtergronden van deze effecten. Goed onderbouwde suggesties over de praktische toepasbaarheid van deze onderzoeksresultaten in de voederpraktijk zijn zeldzaam, omdat hiervoor veel aanvullende informatie nodig is.

    Meer nadruk leggen op deze aspecten zou een belangrijke stap voorwaarts zijn, aangezien er al veel kennis beschikbaar is over additieven die in de basis effectief zijn. De focus moet daarom ook liggen op de goedkeuring van effectieve additieven voor praktisch gebruik op het bedrijf, de herkomst van deze additieven, hun daadwerkelijke reductiepotentieel en de benodigde middelen voor de productie ervan, waaronder land en financiën. Bovendien ontbreekt het aan harmonisatie van procedures voor het testen van additieven, het modelleren van de effecten en hoe veelbelovende additieven an sich het best geïdentificeerd kunnen worden.

    Tot slot wordt het werkingsmechanisme van de additieven nog slecht begrepen. Dit begrijpen is vaak veel moeilijker dan het kwantificeren van het antimethanogene effect zelf, bijvoorbeeld vanwege de complexiteit van het pensmicrobioom. Zonder deze kennis blijft het effect moeilijk voorspelbaar onder wisselende omstandigheden, zoals in de internationale context, en kan de zoektocht naar nieuwe additieven niet worden vereenvoudigd. In dit opzicht is het onvoorspelbare effect – of het uitblijven ervan – bij plantaardige additieven onderdeel van dit verschijnsel.

    Zoektocht naar additieven

    Het themanummer presenteert de eerste resultaten van het koplopersproject dat is opgezet door de Livestock Research Group en het Feed and Nutrition Network van de Global Research Alliance on Agricultural Greenhouse Gases. Het project heet ‘Technical guidelines to develop feed additives to reduce enteric methane’ en werd geleid door onderzoekers David Yáñez-Ruiz en André Bannink. De Global Research Alliance is opgericht in 2011 en telt momenteel 68 lidstaten.

    Bij het project zijn veel experts betrokken van instellingen die onderzoek doen naar methaanreductie via voeding. De leden van het project leggen de focus nadrukkelijk op voeradditieven, en niet op het gehele scala aan voedingsmaatregelen. De doelen zijn academische en industriële capaciteit om voederadditieven te ontwikkelen, snellere markttoelating en opname in broeikasgasinventarissen en het ontwikkelen van meer hulpmiddelen en criteria om marktgoedkeuring te vergemakkelijken.

    Identificatie en selectie

    Het eerste artikel (Durmic et al., 2025) beschrijft strategieën om bioactieve stoffen te identificeren en te selecteren die effectief zijn in het verminderen van methaan­emissies bij herkauwers. De identificatie kan empirisch of mechanistisch worden benaderd. Met gegeven richtlijnen voor het uitvoeren van studies en het analyseren van data, wordt het mogelijk om de zoektocht te verfijnen en veelbelovende stoffen te isoleren. De auteurs bevelen aan deze eerste stap te volgen na laboratoriumtests, inclusief onderzoek op subcellulair niveau, op individuele micro-organismen, en uiteindelijk op complexe microbiële populaties uit de pens.

    Ondanks de toenemende interesse in de ontwikkeling van antimethanogene additieven om enterische methaan (CH₄)-emissies te reduceren en het uitgebreide onderzoek dat de afgelopen decennia is uitgevoerd, beschikt de wereldwijde veehouderijsector slechts over een zeer beperkt aantal anti­methanogene voederadditieven (AMFA) die daadwerkelijk tot substantiële reducties kunnen leiden. Deze middelen zijn nog nauwelijks op de markt gebracht.

    Deze eerste studie in de reeks biedt technische aanbevelingen en richtlijnen voor het uitvoeren van testen die bedoeld zijn om het potentieel van stoffen om enterisch CH₄ direct of indirect te reduceren, te screenen voordat deze verder in vivo worden geëvalueerd.

    Het vinden van nieuwe bioactieve stoffen als AMFA kan op twee manieren: empirisch en mechanistisch.

    De empirische benadering houdt in dat verbindingen uit databanken en verzamelingen worden verkregen en gescreend, op basis van hun potentiële maar nog niet geteste werking. Ook worden natuurlijke bronnen van secundaire verbindingen, zoals planten, schimmels en algen, onderzocht op antimethanogene eigenschappen, of er worden stoffen bestudeerd die antimethanogeen zijn in andere onderzoeken buiten de pens.

    Deze mechanistische benadering is een theoretisch proces, waarbij nieuwe bioactieve stoffen worden ontdekt op basis van bestaande kennis over een biologisch doelwit of proces.

    De besproken in vitro-methodologieën omvatten het onderzoeken van effecten op subcellulair niveau, in pure culturen van methanogenen en in complexere gemengde microbiële populaties uit de pens. Eenvoudige in vitro-methoden maken het mogelijk een groot aantal stoffen te testen, terwijl complexere systemen die het pensmicro­bioom simuleren, minder kandidaten kunnen evalueren maar wel diepgaander inzicht geven in hun antimethanogene effectiviteit.

    Dierstudies

    In het tweede artikel geven Hristov et al. (2025) aanbevelingen voor het testen van methaanreducerende voederadditieven (AMFA) in dierproeven. Zij geven richtlijnen voor het uitvoeren van experimenten en het analyseren van monsters en gegevens. Een zorgvuldige opzet van dierproeven is een voorwaarde om de werkzaamheid van een additief te kunnen aantonen. Behalve het bevestigen van het methaanreducerende effect, moet er ook aandacht zijn voor de veiligheid en eventuele effecten op de voedselkwaliteit. Vooral moet worden gekeken naar antinutritionele of toxische componenten die via het additief kunnen worden overgedragen. Ook mogelijke nadelige effecten op de smaak van melk en vlees bespreken de onderzoekers.

    Deze review geeft richtlijnen voor het opzetten en analyseren van gegevens uit proeven met herkauwers die bedoeld zijn om de antimethanogene en productiegerelateerde effecten van voederadditieven te evalueren. De aanbevelingen omvatten het proefontwerp, statistische analyse van de gegevens, voedingseffecten, wisselwerkingen van AMFA met andere reductiestrategieën, geschikte methoden voor methaanmeting, productie- en fysiologische reacties op AMFA, en hun effecten op diergezondheid en productkwaliteit.

    Langetermijnstudies voor het evalueren van AMFA ontbreken momenteel en zijn dringend nodig. Methaanreducerende effecten van AMFA kunnen worden gecombineerd met andere strategieën om additie en synergie te onderzoeken, maar ook trade-offs, inclusief relevante mestemissies, moeten in goed ontworpen studies worden meegenomen.

    Methaanemissies kunnen worden gemeten met ademhalingskamers, de zwavelhexafluoride-methode en het Green Feed-systeem. Andere technieken, zoals kappen of gezichtsmaskers, zijn bruikbaar in korte­termijnstudies, mits ze de voeropname, het vreetgedrag of de productie niet significant beïnvloeden.

    Voor het succes van AMFA-stoffen is het cruciaal dat representatieve productiedata van dieren worden verzameld, geanalyseerd en gerapporteerd. Daarnaast is het noodzakelijk om effecten op nutriëntverteerbaarheid, dierfysiologie, gezondheid, reproductie, productkwaliteit en de interactie met het rantsoen te evalueren op verschillende momenten. De auteurs benadrukken te wachten met claims over methaanreductie, totdat de effectiviteit van de AMFA in dierproeven zijn bevestigd volgens de beschreven richtlijnen.

    Modellering van de effecten

    Gelet op de hoeveelheid bestaande onderzoeksgegevens is modellering van methaanreducerende effecten in toenemende mate belangrijk. Dijkstra et al. (2025) bieden een set aanbevelingen voor het toepassen van de juiste modellen voor verschillende doeleinden. Modellering is nuttig voor het berekenen van broeikasgasinventarissen op boerderij-, regionaal, nationaal en mondiaal niveau.

    In het afgelopen decennium was er veel aandacht voor het reduceren van enterische CH₄-emissies bij herkauwers door gebruik van AMFA. Deze additieven, die in kleine hoeveelheden worden toegediend, tonen potentie voor aanzienlijke vermindering van methaanvorming.

    Wiskundige modellen spelen een cruciale rol bij het begrijpen en voorspellen van het kwantitatieve effect van AMFA op enterische CH₄-emissies in uiteenlopende rantsoenen en productiesystemen.

    Werkingsmechanismen begrijpen

    Belanche et al. (2025) bespreken methoden om de microbiologische en biochemische werkingsmechanismen van voederadditieven te achterhalen. Ze doen aanbevelingen om het huidige gebrek aan kennis over de invloed op microben, spijsvertering en stofwisseling te verminderen. Additieven worden ingedeeld naar vermoedelijk werkingsmechanisme. Omdat het ontdekken van deze mechanismen kostbaarder is dan het meten van methaanreductie, adviseren de auteurs eerst te testen op effectiviteit.

    In het eerste deel van het artikel worden AMFA in vier categorieën ingedeeld op basis van hun werkingsmechanisme:

    • Verlaging van de productie van diwaterstof (H₂).
    • Remming van methanogenen.
    • Bevordering van alternatieve H₂-opnamepaden.
    • Oxidatie van methaan (CH₄).

    Het tweede deel van het artikel stelt onderzoeksvragen om het werkingsmechanisme van een AMFA op de methaanproductie in de pens te achterhalen. De invalshoeken zijn microbiologie, cellulaire en moleculaire biochemie, microbiële ecologie, dierlijk metabolisme en overkoepelende aspecten.

    Samengevat biedt dit artikel tijdige en uitgebreide richtlijnen om het werkingsmechanisme van bestaande en opkomende AMFA beter te begrijpen en te achterhalen.

    Eisen voor goedkeuring

    Het vijfde artikel (Tricarico et al., 2025) behandelt de eisen die overheden stellen om voederadditieven goed te keuren. Hoewel de regelgeving per land verschilt, gelden overal minimumeisen op het gebied van voedselveiligheid, effectiviteit en productkwaliteit.

    Dit artikel beschrijft de regelgevende en wetenschappelijke vereisten die nodig zijn voor de autorisatie van AMFA die gericht zijn op het terugdringen van enterische CH₄-emissies bij herkauwers.

    De auteurs beschrijven de regelgeving en procedures in Australië, Canada, de Europese Unie, Nieuw-Zeeland, Zuid-Korea, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten. Dit biedt inzicht voor aanvragers van goedkeuring voor het introduceren van de middelen. Wetenschappelijk bewijs staat centraal in de beoordelings- en goedkeuringsprocedures.

    Voederadditieven worden gereguleerd om de veiligheid voor dier, mens en milieu te waarborgen en om hun effectiviteit voor het beoogde gebruik – methaanreductie – te garanderen. De regelgeving omvat aspecten zoals veiligheid van ingrediënten, productiepraktijken, etikettering, vaststelling van toegestane limieten.

    Elk land heeft unieke criteria voor de wettelijke classificatie van AMFA, waardoor het moeilijk is om aan alle juridische eisen met één set gegevens te voldoen. Toch zijn er veel overeenkomsten, waaronder de universele eis voor robuust bewijs van effectiviteit, veiligheid en productkwaliteit.

    Kwantificering van reductiepotentieel

    Het laatste artikel (del Prado et al., 2025) gaat over het kwantificeren van het methaanreductiepotentieel van voederadditieven, met nadruk op verschillende niveaus (dier, bedrijf, regio, land). Belangrijke onderwerpen zijn emissiehandel, de levenscyclus­analyse (LCA) en koolstofvoetafdruk.

    Voor brede toepassing is een diepgaande evaluatie van de waarde en toepasbaarheid van additieven nodig, gebaseerd op levens­cyclusanalyses (del Prado et al., 2025). Deze moeten situatie- en landspecifiek zijn. Daarbij moet rekening worden gehouden met het mogelijk aanzienlijke landgebruik voor de productie van natuurlijke additieven (Dittmann en Leiber, 2024). Dergelijk landgebruik, hoewel nuttig voor methaanreductie, kan de voedsel-veevoerconcurrentie voor akkerbouwland verergeren.

    Respiratiekamer. Methaanmetingen dienen plaats te vinden met gevalideerde technieken zoals respiratiekamers of het Green Feed-systeem. Foto: FBN

    Andere relevante aspecten zijn het gebruik van fossiele energie voor teelt en transport van plantaardige additieven van buiten het bedrijf, evenals het kwantificeren van de middelen die nodig zijn voor de identificatie, ontwikkeling en productie van chemische additieven voor en na goedkeuring.

    Recente inzichten in het methaanvormingsproces hebben geleid tot de ontwikkeling van AMFA die enterische CH₄-emissies in uiteenlopende mate kunnen reduceren. Dit gebeurt via directe remming van methanogenen, alternatieve elektron-acceptoren of veranderingen in het pensmilieu.

    De berekening van CH₄-reductie begint bij het dier zelf (met schattingen op basis van eenvoudige emissiefactoren tot complexe procesmodellen) en strekt zich uit tot nationale en internationale verslaglegging. De gekozen methode moet afgestemd zijn op de schaal van de analyse, de beschikbaarheid van gegevens en het doel, of dat nu wetenschappelijk is, of dient ter certificering of een nationale rapportage behelst.

    Samenvatting

    De zes studies die centraal staan in deze special van het Journal of Dairy Science zijn uitgevoerd als onderdeel van het internationale Feed Additives Flagship Project. Het initiatief komt voort uit de dringende behoefte aan richtinggevende kennis over het gebruik van voederadditieven om enterische methaanemissies bij herkauwers te reduceren. De onderzoeken zijn niet opgezet als experimentele studies, maar vormen een reeks systematische literatuurstudies en methodologische analyses. Ze zijn gebaseerd op bestaand praktijkonderzoek, zowel in vivo als in vitro, en brengen dit samen in een internationaal afgestemd geheel.

    De directe aanleiding voor dit project is de toenemende druk om de bijdrage van de veehouderij aan broeikasgasemissies te reduceren, in het bijzonder door het terugdringen van methaan. Er is in de afgelopen jaren veelbelovend onderzoek gedaan naar voederadditieven met antimethanogene werking, maar het ontbreekt aan internationale standaardisatie van hoe deze additieven beoordeeld, toegepast en gereguleerd moeten worden. De studies in deze reeks zijn ontwikkeld om daar verandering in te brengen. Ze formuleren wetenschappelijk onderbouwde richtlijnen die dienen als handvat voor toekomstig onderzoek, beleidsontwikkeling en praktijktoepassing.

    De richtlijnen zijn momenteel niet ingebed in enige nationale wet- of regelgeving en hebben daarmee geen directe gevolgen voor bestaande producten op de markt. Claims of toelatingen voor AMFA blijven gebonden aan de bestaande, nationale toelatingskaders. Deze richtlijnen zijn ontwikkeld door onderzoekers uit ruim twintig landen, in samenwerking met internationale organisaties, en gepubliceerd in een erkend wetenschappelijk tijdschrift.

    Het is niet onwaarschijnlijk dat beleids­makers en onderzoeksfinanciers deze kaders op termijn gebruiken als referentie bij het beoordelen van effectiviteit, veiligheid en markttoelating. Voor producenten van bestaande AMFA betekent dit dat aanvullende onderbouwing of herbeoordeling noodzakelijk kan worden om blijvend toegang tot markten of certificeringsprogramma’s te garanderen.

    Conclusies

    • Er is dringend behoefte aan langlopende en representatieve in vivo-studies om werkzaamheid en veiligheid van methaanremmende voeradditieven te bevestigen. De evaluatie moet ook productkwaliteit, diergezondheid, voeropname en gedrag omvatten.
    • Methaanmetingen dienen plaats te vinden met gevalideerde technieken zoals respiratiekamers of het GreenFeed-systeem.
    • Modellen zijn onmisbaar voor het schalen van reductie-effecten naar bedrijfs-, regionaal en nationaal niveau.
    • AMFA’s kunnen werken via vier hoofdmechanismen: H2-reductie, methanogeenremming, alternatieve H2-acceptoren of methaanoxidatie.
    • Toelatingseisen verschillen per land, maar baseren zich overal op bewijs voor veiligheid, effectiviteit en productkwaliteit. Er is nu geen geharmoniseerd classificatiesysteem voor AMFA’s.
    • De in de artikelenreeks voorgestelde richtlijnen helpen wetenschappers en productontwikkelaars bij voorbereiding van goedkeuring.
    • Ook het productieproces en landgebruik dat nodig is voor plantaardige methaanremmers moet worden meegewogen in het potentiële remmende effect.