Berichtenoverzicht

Bromoform effectief, maar niet zonder risico’s

Drachtige Angus-koeien die een specifiek voedingssupplement krijgen, stoten veel minder methaan de atmosfeer in, in sommige gevallen tot wel 77 procent. Er leven zo’n anderhalf miljard koeien op aarde die met elkaar zo’n 400 miljoen ton wegen. Bijna 30 procent van alle landbouwemissies komt van grazende dieren en het gros daarvan van koeien. Eén van […]


Bromoform effectief, maar niet zonder risico’s

12 mei 2026

Drachtige Angus-koeien die een specifiek voedingssupplement krijgen, stoten veel minder methaan de atmosfeer in, in sommige gevallen tot wel 77 procent.

Er leven zo’n anderhalf miljard koeien op aarde die met elkaar zo’n 400 miljoen ton wegen. Bijna 30 procent van alle landbouwemissies komt van grazende dieren en het gros daarvan van koeien.

Eén van de stoffen die onderzocht wordt om de enterische methaanemissie door runderen te verlagen, is bromoform. Dat is een stof die van nature voorkomt in bepaalde soorten rood zeewier. In de pens van de koe blokkeert het methaanvormende enzymen.

80 drachtige koeien in Australische studie

Onderzoekers trokken de wei in om 80 drachtige koeien kregen in een studie van de Australische Adelaide Universiteit gehele plantsilage in de vorm van haverhooi. De koeien verbleven op paddoocks en kregen het hooi middels baalvoedering. Het Nederlandse wetenschappelijke nieuwsportaal Scientas doet verslag. De helft van de 80 koeien kreeg dagelijks koolzaadolie met zeewierextract in het voer. De andere helft kreeg dezelfde olie, maar zonder de werkzame stof. De dosering bedroeg zo’n 0,69 milligram bromoform per kg lichaamsgewicht van de koe vanaf drie weken voor de eerste afkalving totdat de laatste kalveren 21 dagen oud waren.

De methaanuitstoot werd tijdens de studie gemeten. Afhankelijk van de week daalde die bij de koeien die bromoform kregen met 49,5 tot 77 procent. Gemiddeld zat de emissiedaling rond de 60 procent.

Groeicurve kalveren wijkt niet af

Wetenschappers wilden weten wat dit doet met de koe en vooral met haar kalf. Wat de moeder binnenkrijgt, kan doorsijpelen naar het ongeboren kalf of in de melk belanden.

De kalveren werden gewogen bij de geboorte, op dag 7, dag 21 en nog eens op dag 150. Of hun moeder nu in de bromoformgroep zat of niet, ze groeiden even hard. Ook de koeien zelf bleven even zwaar, al namen ze minder voer op. Dat kan verklaard worden doordat zeewierolie riekt en niet smakelijk is. In dit onderzoek namen de koeien in de onderzoeksgroep zo’n anderhalve kg per dag minder hooi op.

Risico’s van zeewier

Uit de bloedmonsters die zeven dagen na de geboorte werden afgenomen, bleek wel dat zes op de tien behandelde koeien een milde zogenaamde metabole alkalose hadden, ofwel de pH-waarde van het bloed was te hoog. Ook andere bloedwaarden waren wat hoger, zoals haptoglobine. De meeste afwijkingen bleven binnen de grenzen die dierenartsen nog als normaal beschouwen.

Bij de kalveren waren er kleine verschuivingen in nier- en schildklierwaarden, maar ook die vielen binnen de referentienormen en leken de groei niet te raken. Toch is meer onderzoek nodig. Wat gebeurt er als langere tijd of een hogere dosering wordt gevoerd?

Bromoform is giftig

Bromoform is in zijn pure vorm overigens behoorlijk giftig. Ook daarom is meer onderzoek nodig. In eerdere studies zijn er kleine sporen van bromoform in rauwe koeienmelk aangetroffen. De concentraties in het zeewier zelf zijn echter zo laag dat er voor koeien geen acuut gevaar is.

Naar: Scientas

Bron: Wenham KM, Messele YE, Petrovski KR, Lee SJ and Caetano M (2026) Efficacy of bromoform extract oil supplementation to mitigate methane emissions in Angus cows in an extensive system and the health impact on the cow-calf pair. Front. Anim. Sci. 7:1789660. doi: 10.3389/fanim.2026.1789660

Zonnepanelen boven grasland: minder kg’s, meer kwaliteit?

Onderzoekers van de universiteit Minnesota zochten uit hoe grassen en vlinderbloemigen presteren onder verschillende nivau’s van beschaduwing door zonnepanelen, met als uitkomst verrassende verschillen tussen opbrengst en voederwaarde.


Zonnepanelen boven grasland: minder kg’s, meer kwaliteit?

27 apr 2026

Onderzoekers van de universiteit Minnesota zochten uit hoe grassen en vlinderbloemigen presteren onder verschillende nivau’s van beschaduwing door zonnepanelen, met als uitkomst verrassende verschillen tussen opbrengst en voederwaarde.

De combinatie van landbouw en zonne-energie krijgt steeds meer aandacht. Onderzoekers van de universiteit Minnesota onderzochten daarom in 2022 en 2023 wat agrivoltaïsche systemen betekenen voor grasland. Op een biologisch melkveeproefbedrijf werden gewassen geteeld onder een 30 kW en 50 kW zonne-installatie en vergeleken met een perceel zonder panelen. De proefvelden werden niet beweid, maar gemaaid om begrazing te simuleren.

Brede gewaskeuze en maaibeheer

In de proef werden zowel grassen als vlinderbloemigen geteeld, waaronder luzerne, rode en witte klaver, velderwten, beemdlangbloem, kropaar en sorghum-sudangras, evenals diverse mengsels. De gewassen werden meerdere keren per jaar gemaaid bij een hoogte van 25 tot 35 cm, wat overeenkomt met het aanbevolen beweidingsmoment voor melkvee. Dit zorgde voor een praktijkgerichte vergelijking van opbrengst en voederwaarde.

Minder opbrengst, hogere voederwaarde

Onder de zwaar beschaduwde 50 kW-installatie lag de drogestofopbrengst duidelijk lager dan op het controleperceel. Tegelijkertijd was de voederwaarde hoger: het ruw eiwitgehalte nam toe en de NDF-verteerbaarheid verbeterde. Dit komt doordat gewassen onder schaduw langzamer groeien en minder verhouten. De 30 kW-opstelling liet een goede balans zien: een opbrengst vergelijkbaar met het controleperceel, met een lichte verbetering in voederwaarde.

Gewaskeuze en aandachtspunten

Niet alle gewassen reageren hetzelfde op schaduw. Koeleseizoensgrassen zoals beemdlangbloem en kropaar en vlinderbloemigen zoals rode klaver presteren relatief goed. Sorghum-sudangras, dat veel licht nodig heeft, laat juist een duidelijke opbrengstdaling zien. De onderzoekers benadrukken dat factoren zoals licht, temperatuur en bodemvocht een rol spelen, maar niet allemaal direct zijn gemeten. Ook ontbrak begrazing in de proef en kunnen perceelverschillen invloed hebben gehad. Verdere praktijkstudies zijn daarom nodig, maar duidelijk is dat agrivoltaïcs kansen biedt mits systeem en gewaskeuze goed op elkaar worden afgestemd.

Bron: Florentino et al., 2025 (Journal of Dairy Science Communications)

Foto: Designed by Freepik, www.freepik.com

Emissies varkenshouderij: mest scheiden bij de bron, en rap de stal uit

In de varkenshouderij zijn veelbelovende innovaties en technieken in ontwikkeling voor het terugdringen van de uitstoot van ammoniak en methaan. Mest scheiden bij de bron, en mest zo snel mogelijk de stal uit werken, zijn belangrijke uitgangspunten. Projectleider Bennie van der Fels en emissie-onderzoeker André Aarnink van Wageningen Livestock Research zetten de onderzoeksrichtingen op een rijtje.


Emissies varkenshouderij: mest scheiden bij de bron, en rap de stal uit

20 apr 2026

In de varkenshouderij zijn veelbelovende innovaties en technieken in ontwikkeling voor het terugdringen van de uitstoot van ammoniak en methaan. Mest scheiden bij de bron, en mest zo snel mogelijk de stal uit werken, zijn belangrijke uitgangspunten. Projectleider Bennie van der Fels en emissie-onderzoeker André Aarnink van Wageningen Livestock Research zetten de onderzoeksrichtingen op een…

Eén ding staat voor de Wageningse onderzoekers Van der Fels en Aarnink bij voorbaat vast: om aan de in Noord-Brabant en Limburg gewenste ammoniakreductie van 85 procent te kunnen voldoen, moet je niet uitgaan van één wondermiddel. “Het gaat altijd om een combinatie van technieken.” Maar: “We weten al veel van methaan en ammoniak. We beginnen zeker niet blanco.”

​Methaanreductie

Als het gaat om methaanreductie, dan heeft de Coalitie Vitale Varkenshouderij de ambitie om de methaanemissies per 2030 met 0,9 megaton CO2-equivalenten per jaar te verminderen. Het effectiefst bij de reductie van methaan is een systeem met dag- of weekontmesting. Anders dan bij melkvee, waarbij het leeuwendeel van de methaanemissies ontstaat in de pens van de koe, komt methaan bij varkens voor circa 90 procent uit de mest die in de stal is opgeslagen.

“Bronmaatregelen als dagontmesting dragen veel bij aan de reductie van emissies uit de stal”, stellen de onderzoekers. “Als je de mest vervolgens bij lage temperaturen opslaat, onder de 10 graden, is er nauwelijks emissie. Dagontmesting is voor methaan belangrijk, maar het kan financieel eigenlijk alleen uit bij nieuwbouw.”

Bijkomend voordeel is dat je het dan kunt combineren met een mestvergister. Voor de productie van biogas is dagverse mest immers het efficiëntst. Wie de beschikking heeft over een mestopslag buiten, kan de mest met regelmaat daarheen brengen en zo ook de methaanemissie beperken. In verschillende SBV-projecten wordt gekeken naar het dagelijks of wekelijks verwijderen van mest uit de stal – zoals met het dagontmestingssysteem van De Hoeve Innovatie, verschillende systemen met spoelgoten van Jovas, de Combi-scraper van Van Limpt Stalinrichting en het Total Circular Farm Concept van Kamplan (zie kader).

Aarnink vult aan dat het voor het reduceren van methaanemissie in bestaande stallen ook goed is om tussen de rondes door de putten schoon te maken, en zo de kolonies methaanproducerende bacteriën zo klein mogelijk te houden. “Dat is effectief bij diergroepen met korte rondes, zoals kraamzeugen en gespeende biggen. Daar kun je elke vier à zes weken de put schoonmaken.”

Amoniakreductie

Om naast methaanemissiereductie tevens te voldoen aan de eisen voor ammoniakreductie, zijn er naast dag- of weekontmesting aanvullende maatregelen nodig. Zoals het scheiden van mest en urine bij de bron, bijvoorbeeld met het Trac Reno-systeem van het Franse bedrijf Cooperl, waar stalinrichter Vereijken (sinds kort Cooperl Northern Europe) een joint venture mee heeft.

Het Trac Reno-systeem bestaat uit een vloer met een helling van 8 procent naar het midden toe, waar een giergoot ligt. De dunne fractie wordt direct afgevoerd naar een dichte opslag. Stalen schuiven halen vervolgens iedere paar uur de dikke mest uit de stal. Dit systeem draait in de stal voor dragende zeugen van Van Santvoort in Nuland, meldt Varkens.nl, en moet een ammoniakemissie­reductie van 70 procent opleveren.

Cooperl heeft recent ook een mestrobot geïntroduceerd, de TracVac, die opereert onder de roostervloer. “Vergelijkbaar met een Lely-mestrobot bij rundvee”, weet Aarnink. Deze robot zuigt onder de roosters de mest op en stort die af in een aparte mestopslag. Ook dit moet zowel methaan- als ammoniakemissie tegengaan. De TracVac draait inmiddels bij Diva Varkens in Bergeijk – schrijft Inagro.be –, een bedrijf met een lange stal, waar de robot ondergronds van afdeling naar afdeling rijdt.

Voor de reductie van ammoniak wordt in het Wageningse onderzoek ook gekeken naar een desinfectiemiddel voor de vloer om ureasebacteriën af te doden. Dit systeem is bekend in de melkveehouderij en wordt nu ook beproefd in de varkenshouderij, vertelt Aarnink. Het kan ook worden toegepast bij mestafvoersystemen onder de roosters, om die afvoergoten te desinfecteren en zo het ontstaan van ammoniak te remmen. Op een aantal bedrijven met mestschuifsystemen (onder andere de Combi-scraper) wordt daar ook onderzoek naar gedaan.

Ammoniakreductie in de varkenshouderij staat of valt met het klein houden van het emitterend oppervlak. Hokbevuiling kan de effecten van het meest geavanceerde mestscheidingssysteem nog tenietdoen, vertelt Aarnink. Daarom is een goede hokinrichting een vereiste, en moet voorkomen worden dat varkens in de zomer verkoeling zoeken door op de roosters te gaan liggen en dan op de dichte vloer gaan mesten.

Moving Floor-systeem

Een interessante innovatie voor het terugdringen van ammoniak is het Zweedse Moving Floor-systeem. Dat wordt beproefd bij een varkenshouder in Limburg. De varkens liggen op een soort ingestrooide rubberen mestband, die elk uur een klein stukje opschuift. Aan de voorkant valt er wat strooisel op, aan de achterkant worden mest en stro eraf geschraapt en via een vijzel afgevoerd naar buiten, waar de stromest wordt gecomposteerd. Op het demobedrijf in Zweden is zo een reductie van 85 procent ammoniak behaald. Van der Fels: “Vanuit het onderzoek zijn we benieuwd naar de resultaten onder Nederlandse omstandigheden, want het is het eerste bedrijf in Nederland dat ermee werkt. Ook hier denken we dat sproeien met desinfectie erbij effect heeft.”

Voerspoor

In de melkveehouderij speelt het verlagen van het ruweiwitgehalte een belangrijke rol bij de reductie van ammoniak. In de varkenshouderij wordt de meeste impact van emissiereducerende effecten vanuit stal- en mestmaatregelen verwacht, legt Van der Fels uit. “Een varkenshouder denkt niet als eerste aan voermaatregelen.”

Toch wordt ook bij varkens naar dit spoor gekeken. Aanpak via de voeding en voerstrategie kan de methaanvorming in het dier en het methaanvormend vermogen van mest beïnvloeden, alsook de emissie van ammo­niak uit varkensmest. Ook daar doet Wageningen Livestock Research onderzoek naar. Hiervoor wordt gebruikgemaakt van zogenaamd balansonderzoek, waarbij mest en urine van varkens gescheiden worden opgevangen en gebruikt voor in vitro incubatie-onderzoek, waarbij methaan- en ammoniakemissie uit mengmest wordt geëvalueerd.

Precisievoeding voor vleesvarkens krijgt ook in andere Europese landen aandacht. In Frankrijk wordt een systeem toegepast om vleesvarkens, voorzien van een elektronisch oormerk, individueel te voeren op behoefte. Hierbij worden groepen van 30 à 35 dieren op basis van individuele groeipotentie en behoefte gevoerd met een voerstation, schetst Van der Fels. “Er zijn plannen om dit concept ook in Nederland te introduceren.”

In Frankrijk wordt echter gewerkt met volledige roostervloeren, waar in Nederland daarnaast dichte vloeren zijn. Hokbevuiling is vormt dan mogelijk een risico, wat leidt tot hogere ammoniakemissie. De juiste balans van voeding, genetica en klimaat- en stal­management is dan cruciaal om dit te voorkomen, aldus de onderzoekers.

De varkenshouderij zal uiteindelijk met een combinatie van technieken, eventueel met ook een luchtwasser, toe moeten werken naar de gewenste emissiereductie, verwachten Aarnink en Van der Fels.

Praktijknetwerk Reductie Emissies Varkenshouderij

Het Praktijknetwerk Reductie Emissies Varkenshouderij gaat veelbelovende innovaties en technieken voor het terugdringen van de uitstoot van ammoniak en methaan toetsen in de praktijk. Het Praktijknetwerk vloeit voort uit het LVVN-programma ‘Integraal Aanpakken’. Het netwerk is nog in ontwikkeling en de partners (varkenshouders, CoViVa, LVVN, WUR en PEV-Aeres) moeten nog beslissen welke technieken en bedrijven worden onderzocht. Ervaringen uit bestaande initiatieven worden meegenomen, zoals het Total Circular Farm concept.

Doel is tien pilotbedrijven waar onderzoek wordt gedaan naar emissiereducerende maatregelen met methaan- en ammoniaksensoren, en twintig demobedrijven waar emissiemaatregelen langdurig worden gevolgd. Verder wordt gebruikgemaakt van zogenaamde ‘inspiratiebedrijven’ die kennis en ervaringen vanuit andere lopende projecten willen delen met collega-ondernemers in de varkenshouderij.

Adviseur nodig bij doelsturing

Agrivaknet ondersteunt het ‘Convenant verlagen ruw eiwit in rantsoenen melkveebedrijven’. Voorzitter Noud Janssen vindt dat vaktechnisch bedrijfsadviseurs een rol kunnen én moeten spelen bij deze manier van emissies verlagen.


Adviseur nodig bij doelsturing

8 apr 2026

Agrivaknet ondersteunt het ‘Convenant verlagen ruw eiwit in rantsoenen melkveebedrijven’. Voorzitter Noud Janssen vindt dat vaktechnisch bedrijfsadviseurs een rol kunnen én moeten spelen bij deze manier van emissies verlagen.

Binnen het convenant werken onder andere Agrivaknet, LTO, Nevedi, NZO en VLB aan het verlagen van de stikstofexcretie en daarmee emissie. Bovendien draagt het verlagen van het eiwit in rantsoenen bij aan het aanpakken van de problemen op de mestmarkt.

ZuivelNL heeft de coördinerende rol in dit convenant en het ministerie van LVVN ondersteunt het financieel.

Samen aan tafel

Het verlagen van ruw eiwit in rantsoenen raakt het werk van zowel de vaktechnisch bedrijfsadviseur als van de dierenarts, die beide lid zijn van Agrivaknet. Die combinatie maakt dat de vereniging voor bedrijfsadviseurs wel haast betrokken móet zijn bij het convenant. Voorzitter Noud Janssen licht toe: “We weten al veel over het eiwitniveau in rantsoenen en daar komt nog geregeld kennis bij. Wij zorgen ervoor dat die bij de bedrijfsadviseur terechtkomt. Agrivaknet wil aan de overheid laten zien dat de vaktechnisch bedrijfsadviseur met zijn kennis en ervaring nodig is om de missie van dit convenant te doen slagen: het ruweiwitgehalte van melkveerantsoenen verlagen.”

Agrivaknet zoekt ook verbinding met ondernemerscoaches, economisch adviseurs en andere erfebetreders die verenigd zijn binnen de Vereniging Agrarische Bedrijfsadviseurs (Vab) zodat alle adviseurs die een agrarisch ondernemer nodig acht bij de ontwikkeling van zijn bedrijf, ook samen bij hem aan tafel kunnen aanschuiven.

Praktisch gezien kan dit invulling krijgen binnen de Sabe-regeling die door de overheid is opgezet.

Balans in saldo vinden

Voorzitter van de LTO vakgroep Melkveehouderij Jos Verstraten denkt net als Janssen dat het samenspel tussen boer en adviseurs, of die nou productgebonden of onafhankelijk zijn, onmisbaar is bij het bereiken van de doelen van dit convenant. “Het convenant wil ondersteunen dat op sectorniveau de melkveerantsoenen 158 gram ruw eiwit . Maar elke individuele boer heeft daarin natuurlijk zijn eigen ambitie. De Bex [bedrijfsspecifieke excretie] of het tankmelkureum zijn de middelen die op bedrijfsniveau inzichtelijk maken dat een boer minder eiwit voert en welk effect dat heeft op zijn verdienmodel. De adviseur kan helpen door te adviseren hoe de individuele boer zijn koeien zou kunnen voeren en alles door te rekenen.”

Het verlies van de derogatie is hierbij een kans. Er zal daardoor waarschijnlijk minder gras geteeld worden waardoor er minder ruw eiwit in het rantsoen komt. Daardoor komt er dan meer mais of eigen geteeld krachtvoer in het rantsoen en dat vraagt een specifieke eiwitaanvulling uit krachtvoer. Verstraten: “De uitdaging zit hem erin om in beeld te brengen wat dit betekent voor de kosten van mestafzet en voer, de melkopbrengst, gezondheid van de koe en uiteindelijk het saldo. Om daar een goede balans in te vinden kunnen adviseurs ondersteuning bieden.”

Ook doelsturing, waar de politiek op inzet, maakt de samenwerking tussen ondernemer en adviseurs belangrijker. Janssen: “Doelsturing maakt het mogelijk dat iedere ondernemer zijn eigen traject kiest. Overleg met experts helpt daarbij.”

Intrinsieke motivatie

Ondanks die duidelijke rol voor de adviseur, zal de agrarisch ondernemer allereerst intrinsiek gemotiveerd moeten zijn om met het eiwitniveau in de rantsoenen op zijn bedrijf aan de slag te gaan. Verstraten: “De adviseur kan alleen zijn werk doen als de ondernemer het wil. Dat begint met inzicht: laten zien wat ze ermee kunnen bereiken op hun bedrijfsdoelen. Soms is het nog nodig om uit te leggen dat minder eiwit in het rantsoen echt leidt tot minder mestafvoer. Naast minder vee houden, is minder eiwit in het rantsoen de enige maatregel die daarop direct werkt. vervolgens stimuleert de adviseur de ondernemer om vanuit zijn vakmanschap verbeteringen door te voeren.” Janssen weet dat de vaktechnisch adviseur uitstekend is toegerust voor die rol: “Die is in staat om kennis naar de boer te brengen, maar ook om daar kennis op te halen en elders in te brengen. Vertrouwen en samenwerking speelt daarbij een grote rol en dus de band die de adviseur weet op te bouwen met ondernemers.”

Beloning op stikstofuitstoot

Voor Verstraten is het hoofddoel van het convenant dat er nu minder stikstof uit mest op de markt komt, en de bijvangst is dat er minder ammoniakemissie ontstaat. “Dat laatste wordt de komende jaren alleen maar belangrijker”, weet hij. “Door nu die motivatie bij de boer te stimuleren en kennis op te doen, gaan we dat effect ook terugzien bij de stikstofproblematiek. Dat zie ik als de volgende beloning voor scherp eiwit voeren.”

Beide bestuurders denken dat dit convenant dat kan bewerkstelligen. Verstraten: “Ik merk dat er meer potentie is dan boeren denken en weten, en dat er ook technische mogelijkheden zijn om het eiwit in het melkveerantsoen verder terug te brengen. Dan denk ik aan de kwaliteit van eiwit in voer en gaat het om het finetunen daarvan in het rantsoen. Dan komt het echt weer aan op vakmanschap.” Janssen voegt toe: “Bij het voeden van dat vakmanschap is een rol weggelegd voor de vaktechnisch bedrijfsadviseur. Ik hoop dat de politiek ziet dat het samenspel van de agrarisch ondernemer en zijn adviseurs nodig is, ook bij zoiets als het verlagen van ruw eiwit in rantsoenen.”

Samenwerking tussen akkerbouwer en melkveehouder – Sociale factoren belangrijk

Door samenwerking kunnen akkerbouwers en melkveehouders gezamenlijk milieudoelen halen. Echter: samenwerking laat zich niet afdwingen of opleggen. Sociale factoren zijn een belangrijke randvoorwaarde, en ook het gebied moet zich ervoor lenen. De bedrijfs- en sectorspecifieke regelgeving is vaak een struikelblok, zo valt de concluderen na vijf jaar project Pavex.


Samenwerking tussen akkerbouwer en melkveehouder – Sociale factoren belangrijk

1 apr 2026

Door samenwerking kunnen akkerbouwers en melkveehouders gezamenlijk milieudoelen halen. Echter: samenwerking laat zich niet afdwingen of opleggen. Sociale factoren zijn een belangrijke randvoorwaarde, en ook het gebied moet zich ervoor lenen. De bedrijfs- en sectorspecifieke regelgeving is vaak een struikelblok, zo valt de concluderen na vijf jaar project Pavex.

Eind vorig jaar is het WUR-project Pavex afgesloten, ‘Pilots samenwerking Akkerbouw en Veehouderij in Experimenteergebieden’. In zes experimenteergebieden (zie kader) werd onderzocht hoe samenwerking tussen akkerbouwers en melkveehouders kan bijdragen aan het behalen van milieudoelen. Daarbij werden zowel bestaande samenwerkingsverbanden gemonitord, als nieuwe samenwerkingen van de grond getild. Er waren diverse varianten bij de bestaande samenwerkingsvormen, variërend van één akkerbouwer en één melkveehouder tot één  akkerbouwer die met tot wel vijftien melkveehouders samenwerkt.

“We zijn vertrokken vanuit het idee van kringlooplandbouw”, vertelt onderzoekster Rianne van Zandbrink. “Hoe kan samenwerken met akkerbouwers veehouders via gronduitruil helpen bij het halen van milieudoelen? En als dat lukt, wat is er nodig om samenwerkingen te faciliteren in Nederland?”

Niet universeel

Uit het vijfjarige project zijn diverse conclusies te trekken. Zo is het duidelijk dat er niet één samenwerkingsmodel is dat over heel Nederland kan worden uitgerold. Daarvoor zijn met name de grondsoort en de inrichting van het gebied bepalende factoren. Zo komt er in de veenweidegebieden niet of nauwelijks akkerbouw voor, omdat de gebieden feitelijk alleen voor gras en dus melkvee geschikt zijn. Dan valt er weinig samen te werken, of hooguit op percelen op afstand. Ook in Twente is de melkveehouderij dominant. Daar is in het onderzoek gefocust op verkenning van samenwerkingsmogelijkheden – melkveehouders blijken daar volgens Van Zanbrink zeker geïnteresseerd in samenwerking vanwege de mogelijkheden voor mestafzet.

In gebieden met van oudsher zowel akkerbouw als melkveehouderij is de kans van slagen vanzelfsprekend het grootst. Zo werken in Drenthe veehouders en akkerbouwers al generatieslang samen: “Het is daar bijna vreemd als je níet samenwerkt”, zag Van Zandbrink. Van oudsher hebben boeren daar ervaren dat de kwaliteit van grasland op het Drents plateau na een paar jaar achteruitgaat. Graslandvernieuwing in combinatie met uitruil van grond van een akkerbouwer die bijvoorbeeld schone grond nodig heeft voor pootaardappelen, zit daar in de cultuur ingebakken. Ook in Flevoland is er vrijwel geen melkveehouder te vinden die niet samenwerkt met een akkerbouwer. 

Wat zijn belangrijke factoren voor samenwerking? “De ondernemers noemen vaak als eerste de milieudoelen: samen doen wat je niet alleen kunt doen. En ook: kosten besparen. Ze willen er in elk geval financieel niet op achteruit gaan”, vertelden ze Van Zandbrink. “Verder vinden ze het leuk om kennis uit te wisselen en gezamenlijk dingen op te lossen.” Veehouders voelen nu met het afschaffen van de derogatie ook druk om samen te werken met akkerbouwers vanwege de mestafzet. “Maar welke factor de doorslag geeft, is voor elke ondernemer anders. Belangrijk is dat ze het leuk vinden en kansen zien om de doelen te halen.”

Vertrouwen is de basis

Uit het project blijkt ook dat sociale factoren heel belangrijk zijn. Boeren moeten elkaar vertrouwen en wat gunnen. In samenwerkingsverbanden kan het zo zijn dat het ene jaar de ene ondernemer er beter uitspringt dan de ander – en het volgende jaar is het andersom. Daar moet je mee overweg kunnen, zegt Van Zandbrink. “Je moet het kunnen accepteren dat een ander de grondbewerking doet op jouw perceel. Je draagt gezamenlijk de verantwoordelijkheid voor percelen – daar moet je wel tegen kunnen, los van het financiële of milieuvoordeel. Daar staat de ene ondernemer meer voor open dan de andere.”

Zonder vertrouwen komt de samenwerking niet van de grond. Daarom zal een verplichte, van bovenaf opgelegde samenwerking nooit werken, zegt Van Zandbrink. “Want dan leg je ook vertrouwen op. Dat kan niet.”

De grootste valkuil bij samenwerking is: niet communiceren. “Stel er gaat wat fout bij grondbewerking: spreek het dan meteen uit. Anders doet het afbreuk aan het vertrouwen.” Ook dat vertrouwensaspect verschilt per regio, heeft ze ervaren. “In sommige regio’s laten ondernemers alles doorrekenen en zetten ze alles op papier, terwijl in andere regio’s alles gaat op basis van mondelinge afspraken en onderling vertrouwen. Communiceren – wat zijn je beweegredenen en wat verwacht je van de samenwerking? – is noodzakelijk voor een geslaagde samenwerking.”

Ondernemers in alle regio’s zijn het over één ding eens: begin op kleine schaal. “Wissel eerst eens een paar hectare uit. Ga bij elkaar aan tafel zitten, communiceer wat jij wil en wat de ander wil, en bouw daarvandaan uit.”

Milieudoelen

In welke mate kunnen samenwerkingsverbanden helpen om milieudoelen te behalen? Die vraag is nog niet zo makkelijk te beantwoorden. In de Peel, waar traditiegetrouw al veel grond wordt uitgeruild, zijn elk voor- en najaar metingen gedaan naar stikstofuitspoeling. De resultaten hiervan zijn nog niet gepubliceerd. Maar rekening houdend met het bouwplan wordt daar wel gestuurd op minder uitspoeling, met behulp van gewasrotatie.

Hoe kan samenwerken via gronduitruil helpen bij het halen van milieudoelen? En wat is nodig om samenwerkingen te faciliteren? Zo vat Rianne Van Zandbrink de onderzoeksopdracht samen. Foto: WUR

“Samenwerking kan helpen om milieudoelen te halen, maar samenwerking kan ook leiden tot intensivering als grasland wordt geruild voor bijvoorbeeld pootaardappels. Maar als je naar het totaal kijkt, kun je in gezamenlijkheid juist wel een ruimere gewasrotatie maken.”

De manier waarop de verslaglegging is ingericht, maakt het moeilijk om aan te tonen of en hoe er milieudoelen worden gehaald. Ondernemers kunnen geen gezamenlijke resultaten presenteren. Van Zandbrink: “We zijn ermee bezig geweest hoe je als ondernemer inzichtelijk kunt maken dat je werkt aan de doelen. Maar alle cijfers worden ofwel bedrijfsspecifiek ofwel sectorspecifiek weergegeven. Als je gezamenlijk de behaalde milieudoelen wilt aantonen, vraagt dat om een heel andere registratie, meer gericht op het gebied in plaats van op bedrijfsniveau. Of kijken naar de doelen per perceel: wat gebeurt er, en wat moet je doen om die doelen te behalen? Maar hoe reken je dat dan af, en aan wie, als het ene jaar de ene boer erop boert, en het volgende jaar een ander?”

Van Zandbrink geeft als voorbeeld het scheuren van grasland. Stel een boer scheurt een perceel grasland voor zijn aardappelen telende buurman, die elders op het akkerbouwbedrijf weer gras teelt. Dan gaat er door het scheuren voor de melkveehouder CO2 verloren, terwijl er netto over beide bedrijven samen wellicht meer CO2 wordt vastgelegd. “Maar dat is heel lastig om aan te tonen, omdat alle data bedrijfsspecifiek worden overlegd.” Ook worden boeren per jaar afgerekend op het behalen van de milieudoelen, terwijl groeiseizoenen van jaar op jaar kunnen verschillen.

“Als we naar de ondernemers luisteren, dan denk ik dat we zeker stappen kunnen zetten op het gebied van milieu. Door slimme gewasrotaties kun je vaak toe met minder mest en minder gewasbeschermingsmiddelen. Maar het is binnen dit project niet gelukt om dat hard te maken in cijfers – maar dat was ook niet het doel van het onderzoek.”

Eiwit van eigen land

Vraag blijft hoe melkveehouders en akkerbouwers het best zijn te faciliteren om samen te werken. Volgens de ondernemers moet je het vooral níet van bovenaf opleggen. Kennissmakingsbijeenkomsten organiseren met melkveehouders en akkerbouwers die al samenwerken, is een goede stap. De ondernemers wijzen ook op de rol van het onderwijs: daar zit je óf op een veehouderijopleiding óf op een akkerbouwopleiding. De Aeres-hogeschool is al begonnen met een jaarlijkse kennismakingsdag tussen beide opleidingen, om de studenten met elkaar in contact te brengen en te wijzen op de mogelijkheden van samenwerking, weet Van Zandbrink.

Na vijf jaar Pavex is in elk geval de conclusie dat – mits de regio zich ertoe leent – er veel te halen valt als melkveehouders met akkerbouwers gaan samenwerken. Niet alleen op het gebied van milieudoelen, maar ook doordat akkerbouwers bijvoorbeeld krachtvoergewassen kunnen telen voor melkveehouders – meer eiwit van eigen land – of schone grond kunnen bieden aan akkerbouwers in ruil voor mestafzet. En boeren kunnen elkaar helpen met arbeid en het uitlenen van machines. “Dat sociale aspect is óók winst, in alle uitdagingen waar boeren voor staan”, benadrukt Van Zandbrink. “Maar: zonder vertrouwen in elkaar gaat het niet gebeuren. Dat is een belangrijke randvoorwaarde om überhaupt te werken aan milieudoelen. En de portemonnee: als boeren erop achteruitgaan, houdt het snel op. Maar in veel gevallen zorgt samenwerking wel voor een besparing op kosten.”

‘Melkveesector met beide benen op de grond’

In 2026 wordt de melkveesector met beide benen op de grond gezet. Dat stelt Jelmer Sietzema, senior bedrijfsadviseur bij aaff. Dat komt door de forse prijscorrectie. Tegelijk drukken fiscale afrekening, mestafzet en fosfaatrechten zwaar op de liquiditeit. Juist de combinatie en timing van deze kosten bepalen hoe comfortabel bedrijven het jaar doorkomen—goed inzicht en een duidelijk plan zijn cruciaal.


‘Melkveesector met beide benen op de grond’

19 mrt 2026

In 2026 wordt de melkveesector met beide benen op de grond gezet. Dat stelt Jelmer Sietzema, senior bedrijfsadviseur bij aaff. Dat komt door de forse prijscorrectie. Tegelijk drukken fiscale afrekening, mestafzet en fosfaatrechten zwaar op de liquiditeit. Juist de combinatie en timing van deze kosten bepalen hoe comfortabel bedrijven het jaar doorkomen—goed inzicht en een…

Veel melkveehouders krijgen in 2026 te maken met uitgestelde belasting uit eerdere goede jaren, die nu samenvalt met een lage melkprijs. Daardoor ontstaan knelpunten niet zozeer door slechte resultaten, maar door botsende kasstromen. Waar vroeger weinig belasting werd betaald, is nu €0,01–€0,03 per kg melk gebruikelijk. Voorbereiding op hoogte en timing is dus essentieel.

Daarnaast zorgt het wegvallen van derogatie voor hoge mestafzetkosten (€0,07–€0,09 per kg melk), met sterke regionale verschillen. Vroege aanwending geeft het beste rendement; extra mestopslag kan zinvol zijn als kosten gelijk liggen met afzet. Ruime opslag (10–12 maanden) verkleint afhankelijkheid van de markt en is een vorm van risicomanagement.

Fosfaatrechten drukken ook op de laatste liters melk. Extra productie kan alleen lonen met eigen rechten; bij lease (ca. €80/kg) lopen de kosten op tot circa €0,36 per kg melk. In combinatie met mestkosten tast dit de financiële buffer aan. Door onzeker aanbod en afroming is scenario-denken bij groei of krimp noodzakelijk.

‘Bemesten zonder overschot’

Michel de Haan was tot voor kort projectleider van ‘Koeien en Kansen’ dat onder andere milieumaatregelen op praktijkbedrijven onderzoekt. Wat levert onderzoek onder praktijkomstandigheden op?


‘Bemesten zonder overschot’

18 mrt 2026

Michel de Haan was tot voor kort projectleider van ‘Koeien en Kansen’ dat onder andere milieumaatregelen op praktijkbedrijven onderzoekt. Wat levert onderzoek onder praktijkomstandigheden op?

Wat zijn succesvolle praktijken die het project opleverde?

“De bedrijfsspecifieke excretienormen, de Kringloopwijzer, het vanggewas onder of na de mais, geen bemesting bij mais op gescheurd grasland en voeren met een lager ruw-eiwitgehalte zijn nu gangbare praktijken waar Koeien en Kansen belangrijk aan bijdroeg. En ook het inzicht dat niet een maatregel op zichzelf het verschil maakt, maar vooral hóé je hem toepast.”

Wat is het lastigste bij onderzoek in en voor de praktijk?

“Je moet voortdurend rekening houden met ieders individuele omstandigheden, voorkeuren en bedrijfssituaties. Goede begeleiding is dan ook essentieel om veehouders gemotiveerd en gefocust te houden. Deelnemers kunnen teleurgesteld raken als resultaten niet direct toepasbaar blijken. Onderzoek is immers niet het werkveld van de veehouders en adviseurs. Inspanningen om ammoniak- en broeikasgasemissies te verminderen brengen ook belemmeringen mee, zoals extra kosten of aandacht voor diergezondheid bij methaanreductie. Het is belangrijk dat maatregelen uitvoerbaar zijn en dat opdrachtgevers, de sector en de overheid, zich hiervan bewust zijn.”

Zijn veehouders bereikbaar voor wetenschap?

“Ik denk het wel, maar je kunt niet alle veehouders over één kam scheren. De deelnemende veehouders zijn wetenschappelijk onderzoek in ieder geval meer gaan waarderen. Bewijs leveren is belangrijk – maar iets bewijzen is niet altijd eenvoudig.”

En andersom: hebben de deelnemende veehouders de wetenschappelijke inzichten of houding veranderd?

“Vooral als hun bedrijfssituatie in een onderzoek zit, omarmen veehouders de inzichten. Algemene wetenschap is minder toepasbaar. De interactie met veehouders leert de onderzoekers wat de praktijk belangrijk vindt.”

Welke opgedane inzichten zijn volgens u bewezen effectief, maar hebben het boerenerf niet gehaald?

“Een recent voorbeeld is de Bes-pilot voor ‘fosfaatevenwichtsbemesting’: bemesten zonder bodemoverschot en met dierlijke mest maximaal zoveel fosfaat bemesten totdat het overschot nul is. De veehouders probeerden hun dierlijke mest zo efficiënt mogelijk te benutten in plaats van maximaal toe te passen. Zo bleef het fosfaatoverschot net onder nul en het stikstofbodemoverschot erg laag en kon meer dierlijke mest gebruikt worden dan de generieke norm toestond. Met het vervallen van derogatie verviel de pilot.”

‘Gangbaar als niche’

Niet óf je iets doet, maar hóé je het doet. Dat kan het verschil maken. Zo leerde Michel de Haan in zijn lange tijd als projectleider bij het project ‘Koeien en Kansen’. Als je een milieu- of klimaatmaatregel neemt, is lang niet alleen die maatregel op zichzelf voldoende voor verbetering. Ook zeker van belang is hoe je die maatregel uitvoert.


‘Gangbaar als niche’

10 mrt 2026

Niet óf je iets doet, maar hóé je het doet. Dat kan het verschil maken. Zo leerde Michel de Haan in zijn lange tijd als projectleider bij het project ‘Koeien en Kansen’. Als je een milieu- of klimaatmaatregel neemt, is lang niet alleen die maatregel op zichzelf voldoende voor verbetering. Ook zeker van belang is…

Ditzelfde geldt zelfs voor ontbossing in Brazilië. Uit een verkennend onderzoek, blijkt dat niet alleen de hoeveelheid natuur die opgeofferd wordt, bepalend is voor koolstof- en biodiversiteitsverliezen. Ook welk deel van natuurlijke ecosystemen op welke plek je opoffert maakt verschil. Dat niet heel landbouwend Nederland over vijf of vijftig jaar biologisch produceert is wel duidelijk. Dat het doel van 15 procent biologisch landbouwoppervlak niet wordt bereikt in 2030, is ook geen geheim. Dit geldt eveneens op Europees niveau – de EU loopt ver achter op het doel van 25 procent van het areaal biologisch in 2030. Er moet dan nog meer dan 3 miljoen hectare per jaar worden omgeschakeld.

Uit een notitie van het Nutriënten Management Instituut, wordt duidelijk dat kunstmest een positief effect heeft op bodemvruchtbaarheid. Mits precies en goed toegepast. Geen nieuws eigenlijk. Laten we dat niet vergeten in de zoektocht naar circulariteit, koolstofvastlegging en andere klimaatmaatregelen en biodiversiteit.

Een agrarisch ondernemer hoeft niet om te schakelen om maatschappelijke waarde te creëren. Dat kan ook met management- en vergroeningsmaatregelen. Zo’n tien jaar geleden werd er weleens gesproken over ‘integrale landbouw’; een gangbare landbouw met zo weinig gebruik van chemie, kunstmest en antibiotica als mogelijk. Nu stappen melkveehouders in extensiveringsregelingen waarin ze stikstofkunstmest achterwege moeten laten. En er zijn agrariërs met zoveel mogelijk productie op zo weinig mogelijk ruimte. Dan hou je meer ruimte voor de natuur, zegt men. Daar zit een kern van waarheid in. Zeker is dat elke agrariër belang heeft bij een weerbare bodem en weerbaar vee. Dat zijn gezamenlijke doelen, extensief of niet, biologische aanpak of geïntegreerde aanpak. Gangbaar wordt een niche als we minder inputs ook erkennen.