Berichtenoverzicht

Grote verschillen tussen provincies na herziening Aerius

Na een herziening van Aerius blijft het totaal aantal hectares met een te hoge depositie ongeveer 57 procent, maar er zijn wel grote verschillen tussen provincies. Dat meldt dagblad Trouw.


Grote verschillen tussen provincies na herziening Aerius

2 feb 2023

Na een herziening van Aerius blijft het totaal aantal hectares met een te hoge depositie ongeveer 57 procent, maar er zijn wel grote verschillen tussen provincies. Dat meldt dagblad Trouw.

In de provincies Overijssel en Limburg wordt de uitdaging om de emissies te reduceren groter, in Noord-Holland en Zeeland kleiner. De informatie waarmee de stikstofdepositie per hectare werd berekend, komt  uit 2012. De herziening is gebaseerd op cijfers uit 2018.  Bij het Grevelingenmeer is de stikstofdepositie na de herziening 25 procent lager. In het Natura 2000-gebied Witte Veen bij Haaksbergen neemt de depositie met 15 procent toe. Volgens de oude gegevens was in 28 procent van het gebied de neerslag van stikstof te hoog. Dat geldt nu voor 69 procent van het gebied. (Trouw / AgriHolland)

‘Schoon slib kans voor landbouw’

Freelance onderzoeker Peter Laan onderzoekt circulaire benutting van grondstoffen. Het terugbrengen van zuiveringsslib naar de landbouw is één van zijn onderzoeksvelden. Slib bevat naast veel nutriënten ook veel fosfor en organische stof, aan beide heeft de landbouw in toenemende mate behoefte. Over het algemeen wordt aangenomen dat slib teveel vervuilingen bevat voor de landbouw. Laan onderzocht slib uit een rioolwaterzuiveringsinstallatie in het Achterhoekse Haarlo. Dat bleek in alle opzichten schoon genoeg voor landbouwtoepassing. Een teeltproef met maïs op Agro-innovatiecentrum De Marke volgde.


‘Schoon slib kans voor landbouw’

2 feb 2023

Freelance onderzoeker Peter Laan onderzoekt circulaire benutting van grondstoffen. Het terugbrengen van zuiveringsslib naar de landbouw is één van zijn onderzoeksvelden. Slib bevat naast veel nutriënten ook veel fosfor en organische stof, aan beide heeft de landbouw in toenemende mate behoefte. Over het algemeen wordt aangenomen dat slib teveel vervuilingen bevat voor de landbouw. Laan onderzocht slib uit een rioolwaterzuiveringsinstallatie in het Achterhoekse Haarlo. Dat bleek in alle opzichten schoon genoeg voor landbouwtoepassing. Een teeltproef met maïs op Agro-innovatiecentrum De Marke volgde.

Hoe schoon is zuiveringsslib?

Slib is een ‘end-of-pipe’ product, er zitten altijd veel verontreinigingen in. Enige nuance is wel op zijn plaats: slib uit het landelijk gebied is vaak schoner dan dat uit stedelijk gebied. Ook in algemene zin is slib schoner geworden voor wat betreft de toxische, zware metalen. Alleen zink en koper liggen consequent hoger dan de norm, maar dat zijn belangrijke elementen in biologische systemen. De Nederlandse wetgeving is daarvoor veel te streng en zou geharmoniseerd moeten worden met de Europese normen. Nu kent slib andere verontreinigingen die problematischer zijn: organische microverontreinigingen zoals PFAS, medicijnresten en hormonen. Dergelijke giftige persistente stoffen zijn moeilijk afbreekbaar en behouden hun toxiciteit. Als dergelijk slib de landbouw in gaat, kunnen de vervuilingen in het voedselsysteem terechtkomen. Wat kan, maar nog niet is onderzocht, is dat composterings- en bodemprocessen een deel van deze stoffen onschadelijk maken.

Ziet u kansen voor zuiveringsslib in de landbouw?

Jazeker. We zullen moeten omzien naar andere bestemmingen voor dergelijk grote reststromen. Slib verbranden is geen houdbare methode vanwege onder andere de hoge kosten, de toevoeging van schadelijke stoffen en de CO2-footprint, terwijl de landbouw staat te springen om extra organische stof. Dat we een teeltonderzoek hebben kunnen doen met slib dat schoon is wat betreft de toxische metalen en organische micro’s, ook PFAS, is bemoedigend. Zowel het gehalte fosfaat in slib alsook het scala aan belangrijke micronutriënten zijn aanleiding om te heroverwegen of en hoe slib in de circulaire economie en de kringlooplandbouw past.

Hoe kan slib terug naar de landbouwkringloop?

Met maatwerk. Desgewenst op regionaal niveau. Ik wil zoeken naar de zuiveringsinstallaties met schoon slib en dit ter hygiënisatie composteren of fermenteren en regionaal in de landbouw inzetten. Ik vind dat per situatie de voor- en nadelen van slib afgewogen moeten worden. Daarvoor heb ik een projectvoorstel ingediend bij Stowa waarin ook Provincie Gelderland meedoet.

Lagere nitraatuitspoeling bij rundveedrijfmest

De nitraatuitspoeling uit drijfmest op uitspoelingsgevoelige zandgrond is lager dan die uit kunstmest in de vorm van kalkammonsalpeter (KAS). Dat blijkt uit onderzoek door Wageningen Livestock Research en onderzoekscentrum B-ware. De uitkomsten zijn relevant omdat melkveehouders de komende drie jaar het gebruik van dierlijke mest op grasland moeten afbouwen door het opheffen van de derogatie, maar daarvoor in de plaats wel kunstmest mogen toedienen.


Lagere nitraatuitspoeling bij rundveedrijfmest

26 jan 2023

De nitraatuitspoeling uit drijfmest op uitspoelingsgevoelige zandgrond is lager dan die uit kunstmest in de vorm van kalkammonsalpeter (KAS). Dat blijkt uit onderzoek door Wageningen Livestock Research en onderzoekscentrum B-ware. De uitkomsten zijn relevant omdat melkveehouders de komende drie jaar het gebruik van dierlijke mest op grasland moeten afbouwen door het opheffen van de derogatie, maar daarvoor in de plaats wel kunstmest mogen toedienen.

De politiek heeft besloten om de derogatie in 2026 op te heffen om nitraatuitspoeling naar het grond- en oppervlaktewater te verminderen. Dat betekent onder andere dat veel melkveehouders de drijfmestgift moeten verlagen: van 250 of 230 naar 170 kilo stikstof per hectare per jaar. Aanvullen van de drijfmest met kunstmest mag wel om het bemestingsniveau van het grasland op peil te houden. Uit een tweejarig onderzoek door Wageningen Livestock Research (Herman de Boer) en Onderzoekscentrum B-ware blijkt echter dat rundveedrijfmest, toegepast volgens goede landbouwpraktijk, zorgt voor minder uitspoeling van nitraat naar het grondwater dan het gebruik van kunstmest in de vorm van kalkammonsalpeter (KAS). Het tweejarige onderzoek (2020 en 2021) werd gedaan op gemaaid, blijvend grasland op uitspoelingsgevoelige zandgrond in Beltrum in Gelderland. Het eerste groeiseizoen op het proefveld was erg droog, maar het tweede groeiseizoen had een goede vochtaanvoer; daardoor vertegenwoordigen de twee groeiseizoenen twee uitersten in groeiomstandigheden en vormden ze een solide vergelijkingsbasis voor de behandelingen.

Fors lagere nitraatuitspoeling

Voor het onderzoek werd 60 procent van de jaargift KAS vervangen door een vergelijkbare hoeveelheid plantopneembare stikstof (N) uit rundveedrijfmest. Dat gaf op de uitspoelingsgevoelige zandgrond een 35 tot 44 procent lagere nitraatuitspoeling in het poriewater en bovenste grondwater op 1 meter diepte, bij een drijfmestgift van twee keer de EU-norm van 170 kilogram N per hectare per jaar. Bij een vergelijking van alleen KAS met alleen rundveedrijfmest was de nitraatuitspoeling 57 procent tot 74 procent lager bij het gebruik van drijfmest.

De experimentele resultaten zijn een bevestiging van een hypothese uit een eerdere literatuurstudie door Herman de Boer van Wageningen Livestock Research. Ook eerdere hypotheses, dat het verschil in uitspoeling tussen drijfmest en kunstmest KAS groter zou zijn na een droog dan na een ‘nat’ groeiseizoen, en dat nitraat ook in het groeiseizoen naar grotere diepte kan spoelen, werden bevestigd.

Nitraatconcentraties

Bij vergelijking van de nitraatuitspoeling tussen de behandelingen was na het eerste (droge) groeiseizoen de gemiddelde nitraatconcentratie in uitspoelend water 73 mg l-1 bij bemesting met alleen KAS en 41 mg l-1 wanneer 60 procent van de KAS-gift werd vervangen door drijfmest. Na het tweede (‘natte’) groeiseizoen waren deze concentraties respectievelijk 49 en 32 mg l-1. Bij een vergelijking van alleen KAS met alleen drijfmest waren de gecorrigeerde concentraties voor het eerste seizoen respectievelijk 44 en 11 mg l-1 (-74%) en voor het tweede groeiseizoen respectievelijk 30 en 13 mg l-1 (-57%).

Andere samenstelling van stikstof

De lagere nitraatuitspoeling uit rundveedrijfmest wordt verklaard vanuit de andere samenstelling van stikstof (N) in rundveedrijfmest vergeleken met N in KAS. Een uitgebreide onderbouwing werd eerder gegeven door De Boer (2017). In het kort komt het erop neer dat bij rundveedrijfmest de helft van de N in minerale vorm aanwezig is, maar bij KAS is alle N mineraal. De 50 procent minerale N van rundveedrijfmest is voor 100 procent aanwezig als ammonium, en de 100 procent minerale N van KAS voor 50 procent als ammonium en voor 50 procent als nitraat. Omdat nitraat veel makkelijker uitspoelt dan ammonium, spoelt van de minerale N in rundveedrijfmest al minder uit dan van de minerale N in KAS. De grootste bijdrage aan de lagere uitspoeling uit rundveedrijfmest wordt waarschijnlijk geleverd door de andere helft van de N, die aanwezig is in organische vorm. Deze N mineraliseert langzaam en gedraagt zich als een slow-release meststof. Zolang de N nog in organische vorm is, kan deze niet uitspoelen als nitraat, en wanneer deze in minerale vorm beschikbaar komt, is dat in eerste instantie als ammonium, en in hoeveelheden die kleiner zijn dan wat het gras op korte termijn kan opnemen. Doordat het grasland een constante ‘sink’ is voor deze ammonium, zal er weinig nitraat in de bodem ophopen. Hierdoor is de nitraatconcentratie in de bodem lager bij bemesting met rundveedrijfmest en KAS vergeleken met bemesting met alleen KAS, en spoelt er minder nitraat uit.

Goede landbouwpraktijk

Onder andere het tijdstip van uitrijden van  drijfmest is van invloed op de nitraatuitspoeling. In het onderzoek in Beltrum werd de mest volgens goede landbouwpraktijk uitgereden. Dat betekent onder andere dat de drijfmest pas uitgereden werd toen de bodem voldoende was opgedroogd en opgewarmd; op de laaggelegen proefvelden was dit in de tweede helft van maart. De laatste mestgift werd eind juli gegeven om er zeker van te zijn dat de organische stof en organische N uit de mest in de bodem voldoende tijd hadden om te stabiliseren, en dat de daarbij vrijkomende N door het gras kon worden opgenomen. Een te late gift kan ertoe leiden dat er meer nitraat uit drijfmest uitspoelt. Het is echter niet duidelijk waar het omslagpunt ligt en of dit een uitspoeling van betekenis is. Om dit duidelijk te krijgen is volgens de onderzoekers verder veldonderzoek noodzakelijk.

Minder gras

Bij bemesting met rundveedrijfmest werd uit de opgenomen N minder gras geproduceerd dan bij bemesting met KAS, ofwel rundveedrijfmest had een lagere N-gebruiksefficiëntie. Dat kwam onder andere doordat alle (minerale) N in KAS direct beschikbaar kwam voor het gras, terwijl een deel van de N in de drijfmest langzaam vrijkwam tijdens de groei van een snede, waardoor ook een deel van de grasgroei later gerealiseerd werd. Als gevolg van de lagere grasproductie was bij een gelijke N-opname wel het N-gehalte (~eiwitgehalte) van het gras hoger bij bemesting met rundveedrijfmest vergeleken met KAS.

Theo Spierings benoemd tot CEO ForFarmers

De aandeelhouders van ForFarmers hebben vandaag besloten de heer Theo Spierings per 17 januari 2023 te benoemen als lid van de Raad van Bestuur.


Van Dellen: ammoniak gedraagt zich als stikstofoxiden

Stikstofrekenmodel Aerius gaat ervan uit dat ammoniak uit de stal voor het grootste deel rond de stal, binnen 250 meter, neerslaat. Mesdag-zuivelfonds-secretaris en Flynth-marktdirecteur agro Lubbert van Dellen lichte een tipje van de sluier op over een onderzoek van de Universiteit van Amsterdam waaruit blijkt dat een groot deel van ammoniak uit de stal ook […]


Van Dellen: ammoniak gedraagt zich als stikstofoxiden

11 jan 2023


Stikstofrekenmodel Aerius gaat ervan uit dat ammoniak uit de stal voor het grootste deel rond de stal, binnen 250 meter, neerslaat. Mesdag-zuivelfonds-secretaris en Flynth-marktdirecteur agro Lubbert van Dellen lichte een tipje van de sluier op over een onderzoek van de Universiteit van Amsterdam waaruit blijkt dat een groot deel van ammoniak uit de stal ook ver reist.


In 2020 startte IBED (Instituut voor Biodiversiteit en Ecosysteem Dynamica) van de Universiteit van Amsterdam op 1 januari van dat jaar met stikstofdepositiemetingen op basis van biomonitors in opdracht van Mesdag Zuivelfonds. IBED schreef toen te hopen in de tweede helft van 2022 met de eerste resultaten te komen. Op een publicatie is het nog wachten, maar Mesdag Zuivelfonds-secretaris Lubbert van Dellen deed er in een interview in Agrarisch Magazine 2023 enkele uitspraken over.

Biomonitor

Een biomonitor is een organisme (plant, schimmel, bacterie) dat met een stikstoftekort in het veld wordt geplaatst. In het geval van deze studie heeft IBED onder gecontroleerde omstandigheden Italiaans raaigras gekweekt in potten en daarin stikstofarme omstandigheden gecreëerd. De potten zijn uitgezet bij twee ligboxenstallen. Na verloop van tijd worden bodem (potinhoud) water en de boven- en ondergrondse plantendelen geanalyseerd op opgenomen stikstof. Door het tekort aan het begin van de onderzoeksperiode, zullen de planten alle stikstof die ze kunnen bereiken opnemen. Om de bron van de neergeslagen stilstof te bepalen wordt gebruik gemaakt van de stabiele isotopen die de stikstof bevat, stikstof 14 en stikstof 15. Verreweg de meest voorkomende stikstofisotoop is 14N. 15N beslaat maar een klein aandeel, maar aan de verhouding van beide kan de bron worden bepaald.
Ammoniak uit industrie en mobiliteit


Deze wetenschap werd onlangs in een Chinese studie gebruikt waarin werd geconcludeerd dat ook de industrie en mobiliteit verantwoording dragen voor de uitstoot van ammoniak en niet alleen de landbouw. Onder andere de toevoeging van de ureumoplossing Adblue aan het verbrandingsproces van moderne dieselmotoren zorgt daarvoor.


Er werden met biomonitors al metingen gedaan die laten zien dat dichtbij de stal meer ammoniak neerslaat dan verder weg. Hiervoor werden als biomonitors mossen gebruikt. Mossen hebben geen wortels en zijn daardoor goede biomonitors; ze kunnen alleen stikstof uit de lucht en neerslag opnemen, niet uit de bodem. Binnen dit project zou IBES ook depositiemetingen gaan doen in een Natura 2000-gebied waarin ook het RIVM stikstofdepositiemetingen doet met zogenoemde COTAG-masten.
Volgens hetgeen secretaris Lubbert van Dellen vertelde naar aanleiding van deze studie, slaat echter slechts een klein deel van de ammoniak uit de stal binnen een straal van 250 meter neer. De rest verdwijnt in een hogere luchtlagen en is vervolgens niet meer meetbaar. Dat is tegengesteld aan het model van Aerius waarin het merendeel van de ammoniak dichtbij de stal blijft. NH3 gedraagt zich meer als NOx, het verspreid zich over grotere afstanden en gaat veelal de grens over. Het nu achterhaalde inzicht dat NH3 geen grote afstanden aflegt, is volgens Van Dellen juist de reden dat vooral de landbouw wordt aangepakt binnen het stikstofdossier. Er zou makkelijker iets aan te doen zijn. Hij stelt ook dat Duitsland en België zich al langer richten op bronmaatregelen, omdat men in deze landen al langer overtuigd is van het feit dat ook ammoniak zich wijd verspreid. Van Dellen voorziet voor de Nederlandse veehouderij dan ook beleid met verdere emissiebeperking in plaats van opkopen.

Ruim 14 miljard kg melk

In het interview gaat Van Dellen in op de toekomstige ruimte voor de veehouderij op basis van de gebiedsinrichting die is te zien op diverse ingekleurde landkaarten en is te lezen uit de novemberbrieven van Minister Adema. Hij voorziet in delen van Nederland ruimte voor efficiënte veehouderij met emissiereducerende techniek, vooral in het noorden. In veel andere delen van Nederland zal extensivering aan de orde zijn waar natuur de boventoon zal spelen of in ieder geval een veel belangrijke rol. Desalniettemin verwacht bedrijfsadviseur Van Dellen in de toekomst ruimte voor ruim 14 miljard kg melkproductie.

VS: jaarrond begraasde prairie soortenrijker en droogtetoleranter

In de inheemse tallgrass-prairies in een klein deel van het zuiden van Canada en in de Great Plains van de VS hoorde de bizon thuis. Verdwijnen van deze herkauwer heeft het aantal plantensoort in de resterende inheemse gebieden gehalveerd en de veerkracht bij droogte doen afnemen. Zo blijkt uit een studie van Kansas State University. […]


VS: jaarrond begraasde prairie soortenrijker en droogtetoleranter

10 jan 2023

In de inheemse tallgrass-prairies in een klein deel van het zuiden van Canada en in de Great Plains van de VS hoorde de bizon thuis. Verdwijnen van deze herkauwer heeft het aantal plantensoort in de resterende inheemse gebieden gehalveerd en de veerkracht bij droogte doen afnemen. Zo blijkt uit een studie van Kansas State University.


De origine van de tallgrass-prairies ligt zo’n 10.000 jaar terug. De gletsjers verdwenen en wind voerde organisch materiaal aan waardoor een dikke organische toplaag ontstond. Grote grazers, waaronder de bizon, leefde er en voorkwam bosvorming en zorgde voor een nutriëntenkringloop. De prairiedog had een belangrijke rol bij ontstaan van deze gebieden doordat een eekhoornachtige dieren gangen groeven wat voor beluchting zorgde. Op tallgrass-prairies, het oostelijke deel van de Great Plains die vanaf de Canadese grens over het midwesten naar het zuiden loopt, vond je grassen die tot twee meter hoog worden, zoals Indianngrass, en kruiden, zoals zonnebloemen. Technisch gezien bestaat een prairie voor vijf tot elf procent uit bomen. Duizenden jaren lang war er bijna een miljoen hectare aan deze prairies. Vanaf 1800 kwam de landbouw op en verdween het merendeel. Eén tot vier procent va het prairieoppervlak zou deze periode overleefd hebben.

In wetenschappelijk tijdschrift Proceedings of the National Academy (PNAS) is een studie gepubliceerd waarin waarnemingen over 30 jaar zijn meegenomen in de regio Flint Hills, het grootste resterende tallgrass-prairie-gebied, gelegen in de staten Kansas en Oklahoma. De bizons waren voor die tijd al voor 99 procent van de resterende prairies verdwenen. De effecten daarvan zijn dus nooit vastgelegd.
Veerkrachtiger en soortenrijker met bizon

In de studie werd plantensoortenrijkheid gescoord in gebieden die niet toegankelijk zijn voor grote grazers, in gebieden waar jaarrond bizons grazen en in gebieden waar in het groeiseizoen rundvee graast. Hieruit blijkt dat grote grazers de soortenrijkdom vergroten en dat wilde bizons een aanzienlijke grotere, positieve impact hebben. Uit de studie bleek ook dat de fauna op de prairies die door bizons werd begraasd, ook veerkrachtiger is bij droogte en daartegen dus beter bestand is.


De Flint Hills zijn een ongerept natuurgebied in de vroegere tallgrass-prairie van de Verenigde Staten.

Foto: Wilson Hui from Calgary, Canada, CC BY 2.0 https://creativecommons.org/licenses/by/2.0, via Wikimedia Commons
Kaart: Cephas, CC BY-SA 3.0 https://creativecommons.org/licenses/by-sa/3.0, via Wikimedia Commons

CRV werkt samen met BullWise in Ierland

CRV is vanaf 1 januari een strategische samenwerking gestart met de Ierse fokkerijorganisatie BullWise. Dit nieuwe bedrijf wordt voor CRV de hoofddistributeur van stierensperma in Ierland en Noord-Ierland.


CRV werkt samen met BullWise in Ierland

10 jan 2023

CRV is vanaf 1 januari een strategische samenwerking gestart met de Ierse fokkerijorganisatie BullWise. Dit nieuwe bedrijf wordt voor CRV de hoofddistributeur van stierensperma in Ierland en Noord-Ierland.

BullWise gaat onder andere stieren aanbieden uit het fokprogramma van CRV Nieuw-Zeeland, dat gericht is op het fokken van koeien die optimaal presteren op weidebedrijven. Daarbij gaat het zowel om zuivere Nieuw-Zeelandse friesians en jerseys als om kruisingen tussen deze rassen. Daarnaast zal BullWise ook stieren selecteren uit het Europese en Amerikaanse holsteinfokprogramma van CRV en uit de fokprogramma’s voor fleckvieh en mrij.

Carbon Coöp wil verdienmodel door vastleggen CO2

Een groep van drie Friese melkveehouders en 3 Friese akkerbouwers hebben Carbon Coöp opgericht. Het doel van deze coöperatie is het ontwikkelen en uitrollen van een verdienmodel gebaseerd op vastlegging van CO2 én reductie van CO2 in de productiewijze. 


Carbon Coöp wil verdienmodel door vastleggen CO2

2 jan 2023

Een groep van drie Friese melkveehouders en 3 Friese akkerbouwers hebben Carbon Coöp opgericht. Het doel van deze coöperatie is het ontwikkelen en uitrollen van een verdienmodel gebaseerd op vastlegging van CO2 én reductie van CO2 in de productiewijze. 

Door de samenwerking tussen melkveehouders en akkerbouwers in de korte keten, kan de footprint van de voedselproducten worden verkleind. In het kader van de mondiale doelstellingen ten aanzien van het reduceren van CO2 uitstoot in de landbouwsector en daarbuiten, heeft deze inspanning van de primaire sector een financiële waarde. Dit is een aanvullend verdienmodel voor de boer, dat een duurzaam karakter kan hebben.

De Carbon Coöp staat voor een toekomstbestendige landbouw, overstijgend aan en ongeacht op welke productiewijze. De primaire voedselproductie veroorzaakt uitstoot van CO2 en grondgebonden productie is in staat CO2 vast te leggen. De Coöp streeft ernaar CO2 neutraal of zelfs negatief te worden. Zo dragen haar leden significant bij aan de verduurzaming van de landbouw en daardoor aan het behoud van de landbouw in Nederland.

Samenwerking tussen melkveehouderij en akkerbouw in de korte keten kan resulteren in het CO2 neutraal of negatief produceren. De daarvoor geleverde inspanning en het resultaat zal na certificering een financiële waarde krijgen en de Coöp wil daarmee een aanvullend verdienvermogen voor de primaire sector, de boer, ontwikkelen. Het initiatief en de propositie dient in handen te blijven van de boer.

Bron: Carbon Coöp