Onderzoek en Beleid | Premium | Visie en Opinie

Samenwerking tussen akkerbouwer en melkveehouder – Sociale factoren belangrijk

Door samenwerking kunnen akkerbouwers en melkveehouders gezamenlijk milieudoelen halen. Echter: samenwerking laat zich niet afdwingen of opleggen. Sociale factoren zijn een belangrijke randvoorwaarde, en ook het gebied moet zich ervoor lenen. De bedrijfs- en sectorspecifieke regelgeving is vaak een struikelblok, zo valt de concluderen na vijf jaar project Pavex.

Eind vorig jaar is het WUR-project Pavex afgesloten, ‘Pilots samenwerking Akkerbouw en Veehouderij in Experimenteergebieden’. In zes experimenteergebieden (zie kader) werd onderzocht hoe samenwerking tussen akkerbouwers en melkveehouders kan bijdragen aan het behalen van milieudoelen. Daarbij werden zowel bestaande samenwerkingsverbanden gemonitord, als nieuwe samenwerkingen van de grond getild. Er waren diverse varianten bij de bestaande samenwerkingsvormen, variërend van één akkerbouwer en één melkveehouder tot één  akkerbouwer die met tot wel vijftien melkveehouders samenwerkt.

“We zijn vertrokken vanuit het idee van kringlooplandbouw”, vertelt onderzoekster Rianne van Zandbrink. “Hoe kan samenwerken met akkerbouwers veehouders via gronduitruil helpen bij het halen van milieudoelen? En als dat lukt, wat is er nodig om samenwerkingen te faciliteren in Nederland?”

Niet universeel

Uit het vijfjarige project zijn diverse conclusies te trekken. Zo is het duidelijk dat er niet één samenwerkingsmodel is dat over heel Nederland kan worden uitgerold. Daarvoor zijn met name de grondsoort en de inrichting van het gebied bepalende factoren. Zo komt er in de veenweidegebieden niet of nauwelijks akkerbouw voor, omdat de gebieden feitelijk alleen voor gras en dus melkvee geschikt zijn. Dan valt er weinig samen te werken, of hooguit op percelen op afstand. Ook in Twente is de melkveehouderij dominant. Daar is in het onderzoek gefocust op verkenning van samenwerkingsmogelijkheden – melkveehouders blijken daar volgens Van Zanbrink zeker geïnteresseerd in samenwerking vanwege de mogelijkheden voor mestafzet.

In gebieden met van oudsher zowel akkerbouw als melkveehouderij is de kans van slagen vanzelfsprekend het grootst. Zo werken in Drenthe veehouders en akkerbouwers al generatieslang samen: “Het is daar bijna vreemd als je níet samenwerkt”, zag Van Zandbrink. Van oudsher hebben boeren daar ervaren dat de kwaliteit van grasland op het Drents plateau na een paar jaar achteruitgaat. Graslandvernieuwing in combinatie met uitruil van grond van een akkerbouwer die bijvoorbeeld schone grond nodig heeft voor pootaardappelen, zit daar in de cultuur ingebakken. Ook in Flevoland is er vrijwel geen melkveehouder te vinden die niet samenwerkt met een akkerbouwer. 

Wat zijn belangrijke factoren voor samenwerking? “De ondernemers noemen vaak als eerste de milieudoelen: samen doen wat je niet alleen kunt doen. En ook: kosten besparen. Ze willen er in elk geval financieel niet op achteruit gaan”, vertelden ze Van Zandbrink. “Verder vinden ze het leuk om kennis uit te wisselen en gezamenlijk dingen op te lossen.” Veehouders voelen nu met het afschaffen van de derogatie ook druk om samen te werken met akkerbouwers vanwege de mestafzet. “Maar welke factor de doorslag geeft, is voor elke ondernemer anders. Belangrijk is dat ze het leuk vinden en kansen zien om de doelen te halen.”

Vertrouwen is de basis

Uit het project blijkt ook dat sociale factoren heel belangrijk zijn. Boeren moeten elkaar vertrouwen en wat gunnen. In samenwerkingsverbanden kan het zo zijn dat het ene jaar de ene ondernemer er beter uitspringt dan de ander – en het volgende jaar is het andersom. Daar moet je mee overweg kunnen, zegt Van Zandbrink. “Je moet het kunnen accepteren dat een ander de grondbewerking doet op jouw perceel. Je draagt gezamenlijk de verantwoordelijkheid voor percelen – daar moet je wel tegen kunnen, los van het financiële of milieuvoordeel. Daar staat de ene ondernemer meer voor open dan de andere.”

Zonder vertrouwen komt de samenwerking niet van de grond. Daarom zal een verplichte, van bovenaf opgelegde samenwerking nooit werken, zegt Van Zandbrink. “Want dan leg je ook vertrouwen op. Dat kan niet.”

De grootste valkuil bij samenwerking is: niet communiceren. “Stel er gaat wat fout bij grondbewerking: spreek het dan meteen uit. Anders doet het afbreuk aan het vertrouwen.” Ook dat vertrouwensaspect verschilt per regio, heeft ze ervaren. “In sommige regio’s laten ondernemers alles doorrekenen en zetten ze alles op papier, terwijl in andere regio’s alles gaat op basis van mondelinge afspraken en onderling vertrouwen. Communiceren – wat zijn je beweegredenen en wat verwacht je van de samenwerking? – is noodzakelijk voor een geslaagde samenwerking.”

Ondernemers in alle regio’s zijn het over één ding eens: begin op kleine schaal. “Wissel eerst eens een paar hectare uit. Ga bij elkaar aan tafel zitten, communiceer wat jij wil en wat de ander wil, en bouw daarvandaan uit.”

Milieudoelen

In welke mate kunnen samenwerkingsverbanden helpen om milieudoelen te behalen? Die vraag is nog niet zo makkelijk te beantwoorden. In de Peel, waar traditiegetrouw al veel grond wordt uitgeruild, zijn elk voor- en najaar metingen gedaan naar stikstofuitspoeling. De resultaten hiervan zijn nog niet gepubliceerd. Maar rekening houdend met het bouwplan wordt daar wel gestuurd op minder uitspoeling, met behulp van gewasrotatie.

Hoe kan samenwerken via gronduitruil helpen bij het halen van milieudoelen? En wat is nodig om samenwerkingen te faciliteren? Zo vat Rianne Van Zandbrink de onderzoeksopdracht samen. Foto: WUR

“Samenwerking kan helpen om milieudoelen te halen, maar samenwerking kan ook leiden tot intensivering als grasland wordt geruild voor bijvoorbeeld pootaardappels. Maar als je naar het totaal kijkt, kun je in gezamenlijkheid juist wel een ruimere gewasrotatie maken.”

De manier waarop de verslaglegging is ingericht, maakt het moeilijk om aan te tonen of en hoe er milieudoelen worden gehaald. Ondernemers kunnen geen gezamenlijke resultaten presenteren. Van Zandbrink: “We zijn ermee bezig geweest hoe je als ondernemer inzichtelijk kunt maken dat je werkt aan de doelen. Maar alle cijfers worden ofwel bedrijfsspecifiek ofwel sectorspecifiek weergegeven. Als je gezamenlijk de behaalde milieudoelen wilt aantonen, vraagt dat om een heel andere registratie, meer gericht op het gebied in plaats van op bedrijfsniveau. Of kijken naar de doelen per perceel: wat gebeurt er, en wat moet je doen om die doelen te behalen? Maar hoe reken je dat dan af, en aan wie, als het ene jaar de ene boer erop boert, en het volgende jaar een ander?”

Van Zandbrink geeft als voorbeeld het scheuren van grasland. Stel een boer scheurt een perceel grasland voor zijn aardappelen telende buurman, die elders op het akkerbouwbedrijf weer gras teelt. Dan gaat er door het scheuren voor de melkveehouder CO2 verloren, terwijl er netto over beide bedrijven samen wellicht meer CO2 wordt vastgelegd. “Maar dat is heel lastig om aan te tonen, omdat alle data bedrijfsspecifiek worden overlegd.” Ook worden boeren per jaar afgerekend op het behalen van de milieudoelen, terwijl groeiseizoenen van jaar op jaar kunnen verschillen.

“Als we naar de ondernemers luisteren, dan denk ik dat we zeker stappen kunnen zetten op het gebied van milieu. Door slimme gewasrotaties kun je vaak toe met minder mest en minder gewasbeschermingsmiddelen. Maar het is binnen dit project niet gelukt om dat hard te maken in cijfers – maar dat was ook niet het doel van het onderzoek.”

Eiwit van eigen land

Vraag blijft hoe melkveehouders en akkerbouwers het best zijn te faciliteren om samen te werken. Volgens de ondernemers moet je het vooral níet van bovenaf opleggen. Kennissmakingsbijeenkomsten organiseren met melkveehouders en akkerbouwers die al samenwerken, is een goede stap. De ondernemers wijzen ook op de rol van het onderwijs: daar zit je óf op een veehouderijopleiding óf op een akkerbouwopleiding. De Aeres-hogeschool is al begonnen met een jaarlijkse kennismakingsdag tussen beide opleidingen, om de studenten met elkaar in contact te brengen en te wijzen op de mogelijkheden van samenwerking, weet Van Zandbrink.

Na vijf jaar Pavex is in elk geval de conclusie dat – mits de regio zich ertoe leent – er veel te halen valt als melkveehouders met akkerbouwers gaan samenwerken. Niet alleen op het gebied van milieudoelen, maar ook doordat akkerbouwers bijvoorbeeld krachtvoergewassen kunnen telen voor melkveehouders – meer eiwit van eigen land – of schone grond kunnen bieden aan akkerbouwers in ruil voor mestafzet. En boeren kunnen elkaar helpen met arbeid en het uitlenen van machines. “Dat sociale aspect is óók winst, in alle uitdagingen waar boeren voor staan”, benadrukt Van Zandbrink. “Maar: zonder vertrouwen in elkaar gaat het niet gebeuren. Dat is een belangrijke randvoorwaarde om überhaupt te werken aan milieudoelen. En de portemonnee: als boeren erop achteruitgaan, houdt het snel op. Maar in veel gevallen zorgt samenwerking wel voor een besparing op kosten.”

Je hebt zojuist een Premium artikel gelezen.
Het aantal premium artikelen dat je kunt lezen is beperkt. Wil je meer Premium lezen? Maak dan een gratis profiel aan.
Dit Premium artikel krijg je cadeau. Onbeperkt lezen? Nu proberen

V-focus Nieuwsbrief

Nieuwsbrief Wil je ook de nieuwsbrief ontvangen en op de hoogte blijven?