Berichtenoverzicht

Ervaringen met uitspreiden klei op veengrasland

Als het opbrengen van een laagje klei bijdraagt aan het verminderen van veenafbraak, hoe kan de kleigrond dan het beste worden opgebracht en wat zijn de risico’s? Uit keukentafelgesprekken met veehouders die ervaring hebben opgedaan met klei in veen op hun land, valt op te maken dat extra klei geen kwaad kan voor de bodem, maar dat er nog wel haken en ogen zitten aan de haalbaarheid van de maatregel op grotere schaal. 


Ervaringen met uitspreiden klei op veengrasland

29 aug 2025

Als het opbrengen van een laagje klei bijdraagt aan het verminderen van veenafbraak, hoe kan de kleigrond dan het beste worden opgebracht en wat zijn de risico’s? Uit keukentafelgesprekken met veehouders die ervaring hebben opgedaan met klei in veen op hun land, valt op te maken dat extra klei geen kwaad kan voor de bodem,…

In V-focus verschenen al eerder dit jaar artikelen over aspecten van klei in veen [1,2,3], maar de haalbaarheid van het opbrengen van kleigrond in het veld werd daarin nog niet besproken. Kleigrond is in dit project gedefinieerd als grond met meer dan 20 procent lutum, afkomstig uit diepere bodemlagen. Om in potentie te kunnen bijdragen aan bescherming van het veen tegen afbraak, wordt verondersteld dat de kleigrond arm moet zijn aan organische stof en nutriënten. Verder moet het voldoen aan de achtergrondwaardes. De toegepaste kleigrond is afkomstig uit verschillende afgravingsprojecten.

In 2020 zijn op één locatie in de Krimpenerwaard de volgende methodes voor het opbrengen van klei in veen uitgetest [4,5,6]:

  • Steekvaste kleibagger opgebracht met breedstrooier met verticale walsen (Schuitemaker calypso 180).
  • Klei in suspensie (‘kleimelk’) vanuit sloot opgebracht met een baggerspuit.
  • Kleimelk direct opgebracht met sleepslangbemester.

De conclusie uit deze pilot was dat er genoeg methoden voorhanden zijn voor kleiverspreiding in het veld, al ging het hier om kleinere doseringen (1 tot 2 mm klei).

Ideale methode

Om de toepasbaarheid van klei in veen breder te kunnen onderzoeken, zijn tussen 2019 en 2022 zestien demovelden op melkveebedrijven aangelegd in verschillende veenweidegebieden. Hier is gekozen om de klei als ‘steekvaste’ kleibagger of in droge vorm op te brengen op de helft van het perceel. Met veehouders en loonwerkers is gesproken over hun ervaringen met het uitvoeren van deze maatregel in de praktijk.

De meeste veehouders gaven aan dat de klei het best droog en fijn kan worden opgebracht met een breedstrooier. Als de klei te nat is, kan met een kettingstrooier gewerkt worden. Er werd gestuurd op 200 ton kleibagger per hectare. Naast de genoemde breedstrooier, is getest met twee types:

  • Joskin-breedstrooier met staande walsen. Werkt het makkelijkst, maar strooit het grofst.
  • Tebbe- en Bergman-breedstrooiers met liggende walsen. Strooit netjes, maar slijt sneller.

Voor het inladen kan de kleibult deels worden omgezet met de kraan of kan de toplaag worden gefreesd om de kleigrond fijner te maken. Hierdoor valt de klei mooi tussen het gras zodat hij geen problemen geeft bij het maaien of in de kuil.

Het transport op het veld moet plaatsvinden met maximaal driekwart gevulde breedstrooiers om spoorvorming, open plekken en verdichting te voorkomen. Het heeft daarom ook de voorkeur de klei op te brengen in de zomermaanden als de draagkracht goed is. Als er geen gras groeit bij het opbrengen, en de draagkracht dus minder is, moet met nog lichtere vrachten worden gereden.

Na het opbrengen kan de klei verder worden fijngemaakt en verdeeld door met de weidesleep over het veld te gaan, of de koeien er te laten grazen. Bij een omgewerkt perceel waar mais stond, is gekozen de klei deels in te werken met een rotorkopeg voorafgaand aan herinzaai van het gras

In het ideale geval kan er 200 ton ‘steekvaste’ kleibagger per middag worden opgebracht. Voorwaarden zijn wel dat de klei direct van het erf op aangrenzende percelen kan worden gebracht, dat er weinig grote stenen en vuil in de klei zitten die voor beschadiging kunnen zorgen, dat de breedstrooier continu wordt herladen door een kraan, en dat het droog weer is zodat de klei niet kleeft.

Terugslag grasgroei

Bij het bespreken van de risico’s op bedrijfsniveau kwam naar voren dat er opbrengstderving is van de snede na het opbrengen van 1 cm klei in één keer, maar dat dit overkomelijk is. De praktijk leert namelijk dat het gras binnen een paar weken weer door de klei heen groeit. Het is wel belangrijk de klei op te brengen als het gras kort is, zodat de klei het gras niet platslaat. Meer klei geeft meer terugslag in de grasgroei en daarmee risico op onkruidontwikkeling. Ook kan een dikke laag klei slecht waterdoorlatend zijn, waardoor plasvorming of afspoeling optreedt met verdere nadelen voor het gras. 

Om terugslag in de grasgroei te verminderen, is er bij sommige demovelden voor gekozen om het opbrengen van de totale hoeveelheid kleigrond te verdelen over meerdere momenten in het seizoen. De klei werd dan telkens opgebracht in de eerste week na het maaien, gevolgd door de bemesting. Deze methode staat of valt het met directe beschikbaarheid van de klei, machines en personeel, en met genoeg droge dagen.

Stenen en onkruid

De aangevoerde kleigrond bevatte soms stenen en harde kluiten. Van de breedstrooier en kettingstrooier zijn hierdoor kettingen gebroken. Verder geeft het ook uitdagingen bij het maaien – de maaier en de hark moeten hoger worden afgesteld.

Ook waren er problemen met onkruid. Dit speelde op de locaties waar de veengrond is bewerkt en opnieuw ingezaaid, waardoor de concurrentiekracht van het gras wellicht lager lag. Het is belangrijk met de leverancier te overleggen over de kwaliteit en samenstelling van de klei om ongewenste verrassingen op het veld te voorkomen.

Opschaling

De veehouders ervaren het opbrengen van klei overwegend als positief. Voor de opschaling is de kwaliteit en samenstelling van de klei van belang. Bestaande machines zoals breedstrooiers zijn geschikt voor het opbrengen, maar dat opbrengen vraagt wel een tijdsinvestering. De lopende veldproeven moeten uitwijzen of het opbrengen van klei helpt tegen bodemdaling en veenafbraak, en dus bijdraagt aan verduurzaming van de bedrijfsvoering.

Op de voorste helft van het perceel is klei gebracht met een Joskin-breedstrooier. Om de kleiverdeling over het veld te verbeteren en grote kluiten fijner te maken, is een paar dagen later nog een bewerking gedaan met de weidesleep. Foto: Peternella Fotografie
Klei in suspensie in de sloot – oftewel ‘kleimelk’ – wordt met de baggerspuit vanuit de sloot over het veengrasland verspreid. Foto: Louis Bolk Instituut
Met verschillende breedstrooiers is klei aangewend. Strooiers met horizon­tale walsen strooien netter, maar slijten harder. Foto: Louis Bolk Instituut

Van ‘mestlagune’ vergister maken

In de staat Californië werden open mestlagunes voorzien van een gasdicht membraan om methaan af te vangen.


Van ‘mestlagune’ vergister maken

13 aug 2025

In de staat Californië werden open mestlagunes voorzien van een gasdicht membraan om methaan af te vangen.

Een gigantisch, ballonachtig zeil over een zogenoemde mestlagune op een melkveebedrijf in Californië. Zo wordt van het mestbassin een grote monovergister gemaakt. Onderzoekers aan de Universiteit van Californië onderzochten of deze vorm van vergisting effectief is tegen de emissie van methaan uit de opgeslagen mest. Het eerste resultaat is een daling van de methaanemissie met 80 ongeveer procent. Meer dan 130 van deze systemen zijn inmiddels operationeel op melkveebedrijven in Californië. De effectiviteit in de praktijk was echter nog niet aangetoond.

“De vergisters kunnen lekken, en dat doen ze soms ook”, zegt hoofdonderzoeker Francesca Hopkins. “Maar als het systeem goed wordt gebouwd en gemanaged, daalt de methaanuitstoot echt.” Zo luidt de conclusie na een jaar lang mobiele metingen – voor en na afdekken – van de atmosferische gassen rondom een melkveebedrijf in de hete en droge San Joaquin Valley met zo’n vergister.

Door de mestlagunes af te dekken met gasdichte membranen, kan het gas worden opgevangen, gezuiverd en via pijpleidingen worden ingevoerd in brandstofsystemen, waar het vaak diesel vervangt. Een beperking van deze vergisters is dat ze andere emissies op melkveebedrijven, zoals ammoniak of fijnstofdeeltjes, niet verminderen.

Foto: Evgeny_V, Shutterstock

Droogteonderzoek in groentetunnels

In het Zwitserse Berner Oberland, op een perceel op meer dan 1.000 meter hoogte, wordt in groentetunnels zomerdroogte nagebootst. Het doel is het vergelijken van de opbrengst van droogteresistente mengsels voor voederwinning onder normale omstandigheden en bij waterschaarste. Het Dry Mount-onderzoeksproject loopt tussen 2023 en 2027. Het wordt geleid door een proefbedrijf voor alpen- en […]


Droogteonderzoek in groentetunnels

8 aug 2025

In het Zwitserse Berner Oberland, op een perceel op meer dan 1.000 meter hoogte, wordt in groentetunnels zomerdroogte nagebootst. Het doel is het vergelijken van de opbrengst van droogteresistente mengsels voor voederwinning onder normale omstandigheden en bij waterschaarste.

Het Dry Mount-onderzoeksproject loopt tussen 2023 en 2027. Het wordt geleid door een proefbedrijf voor alpen- en berglandbouw. In het kader van dit project worden in de vijf Alpen-kantons droogteresistente mengsels getest voor de voederwinning. Een tweejarige proef in het Berner Oberland maakt deel uit van het project.

Voor het tweede jaar op rij staan in juni en juli groentetunnels op het proefperceel in de gemeente Neuenmatt. Met vier tunnels van elk 24 meter lang worden droogte-omstandigheden gesimuleerd die voor het jaar 2060 worden geprognosticeerd.

In elke tunnel worden nieuwe voedergewassenmengsels getest die droogteresistente soorten bevatten. In het experiment worden de opbrengsten van deze mengsels gemeten tijdens extreme zomerdroogte – meerdere weken zonder neerslag – en vergeleken met de opbrengsten onder normale neerslagomstandigheden.

Minder gevolgen door aangepaste soorten

Bij de eerste simulatie in 2024 leidde de droogte tot een sterke opbrengstdaling. De mengsels met resistente soorten bleken veerkrachtiger en kenden een opbrengstverlies van 30 procent, tegen 50 procent bij de conventionele mengsels.

De eerste resultaten lieten echter ook zien dat resistente mengsels kunnen leiden tot een lichte kwaliteitsvermindering van het voer, met tot 10 procent minder ruw eiwit en 30 procent meer lignine.

Smalle weegbree springt eruit

Eén soort viel bijzonder op door haar weerstand: smalle weegbree (Plantago lanceolata), die daarmee een aanzienlijk potentieel toont om opbrengstverliezen bij droogte te beperken.

Bron: Agroscope

Foto: Pixabay

Mais zonder ploegen en spuiten

Het Louis Bolk Instituut onderzoekt de mogelijkheden en beperkingen van maisteelt zonder ploegen en chemische onkruidbestrijding.


Mais zonder ploegen en spuiten

6 aug 2025

Het Louis Bolk Instituut onderzoekt de mogelijkheden en beperkingen van maisteelt zonder ploegen en chemische onkruidbestrijding.

De keuze voor maïs als voedergewas ligt volgens onderzoeker Joachim Deru van het Louis Bolk Instituut voor de hand: “Maïs produceert in zes maanden tijd meer biomassa dan gras in een heel jaar, en met zijn hoge zetmeelgehalte vult mais heel goed het eiwitrijke gras voor de koe aan.” Maïs is erg gevoelig voor onkruid, en dit onder de duim houden is dus erg belangrijk. Ploegen en spuiten met chemische middelen zijn daarvoor de conventionele maatregelen, die echter nadelen hebben voor onder meer bodemleven, bodemstructuur en waterkwaliteit.

In de zoektocht naar ploeg- en chemieloze maisteelt zijn verschillende soorten niet-kerende grondbewerkingen getest in een proefveld in Drenthe waar gras stond. In een van de proeven werd tussen twee rijen een strook van 15 cm gras intact gelaten. “Een soort vluchtstrook voor regenwormen en insecten”, aldus Deru (meer over deze proef lees je vanaf pagina 12 in deze V-Focus). “We geven de maïs met een blijvend ondergewas een meer permanent karakter en duwen het zo een beetje de kant van agroforestry op”, legt de onderzoeker uit.

Nadelen

Het gras en de onkruiden mogen niet te veel concurreren met de maïs. Het Louis Bolk Instituut onderzoekt welke technieken hiervoor het beste werken en of robotisering een oplossing is. Om maïs in grasland zonder ploegen te kunnen zaaien is bovendien een speciale strokenfrees nodig. De nadelen zijn de kosten, de bewerkelijkheid en opbrengstzekerheid.

Methaanemissie melkveehouderij kan helft minder

De mate waarin een koe methaan uitstoot bij de vertering, is te beïnvloeden door fokkerij en voeding en met supplementen. Deze zogenoemde enterische emissie naar nul brengen, is volgens onderzoekers uit de Verenigde Staten niet mogelijk. Het verlagen ervan via door fokkerij, voeding en supplementen kent overigens nadelen – schrijven de onderzoekers in hun verslag ‘The path to net-zero in dairy production’. Het minder goed verteren van vezels en minder voeropname zijn de mogelijk averechtse effecten.


Methaanemissie melkveehouderij kan helft minder

30 jul 2025

De mate waarin een koe methaan uitstoot bij de vertering, is te beïnvloeden door fokkerij en voeding en met supplementen. Deze zogenoemde enterische emissie naar nul brengen, is volgens onderzoekers uit de Verenigde Staten niet mogelijk. Het verlagen ervan via door fokkerij, voeding en supplementen kent overigens nadelen – schrijven de onderzoekers in hun verslag…

Methaan is het belangrijkste broeikasgas bij de productie van melk. Het komt vrij bij de vertering van voer in de pens, en in mindere mate via de opslag van mest.

Vier Amerikaanse wetenschappers deden onderzoek naar het reduceren van de uitstoot van enterisch methaan in de melkveehouderij. Een groot deel van hun studie betrof literatuuronderzoek.

De Verenigde Staten kennen veel minder dwingende regels rond klimaat, mest en stikstof dan Europa. Dit verklaart mede waarom het onderzoek zich nadrukkelijk richt op technologische oplossingen en bedrijfsmaatregelen, en veel minder op systeemveranderingen.

Als de melkveesector zijn klimaatdoelstellingen serieus neemt, moet de uitstoot van methaan flink omlaag, stellen de onderzoekers. Zij berekenden dat een reductie van minstens 50 procent in enterisch methaan noodzakelijk is om een ‘netto emissie van nul’ te bereiken. Daarvoor zetten zij een breed pakket aan maatregelen in – van genetische selectie en aangepaste voeders tot methaanremmers, mestvergisting en efficiënter energiegebruik op het bedrijf.

De afgelopen decennia is de uitstoot per liter melk in de Verenigde Staten al flink gedaald, vooral doordat de melkproductie per koe sterk is toegenomen. Door genetische vooruitgang, betere rantsoenen en verbeterde diergezondheid lukt het veehouders steeds meer liters melk te produceren met minder dieren. Maar die trend stuit volgens de onderzoekers op natuurlijke grenzen: de koe kan niet oneindig efficiënter worden zonder in te leveren op gezondheid of duurzaamheid.

Een veelbelovende route is het aanpassen van het rantsoen. Minder ruwvoer en meer zetmeel leidt doorgaans tot minder methaanvorming, al vraagt dat om zorgvuldige afstemming op pensgezondheid. Het toevoegen van vetten aan het voer blijkt ook een effectieve maatregel, zolang het aandeel beperkt blijft en de voeropname niet negatief wordt beïnvloed.

In veel landen worden inmiddels voeder­additieven ingezet die specifiek gericht zijn op het onderdrukken van methaanproductie in de pens. Het bekendste voorbeeld is 3-NOP, hier bekend als Bovaer, een synthetische stof die het enzym remt dat verantwoordelijk is voor de methaanproductie. Bij melkkoeien leidt dit middel tot methaanreducties tot 40 procent, zonder nadelen voor de melkproductie. Ook het gebruik van rood zeewier (Asparagopsis) wordt onderzocht.

Genetische selectie

Genetische selectie op lage methaanuitstoot blijkt technisch haalbaar. Methaanproductie is in beperkte mate erfelijk, maar hoewel fokken op dit kenmerk mogelijk is duurt het meerdere generaties om substantiële winst te boeken. Daarbij is er een belangrijk aandachtspunt: koeien die van nature minder methaan produceren, verteren vezels mogelijk minder goed, wat ongewenst is in grasrijke kringloopsystemen zoals in Nederland wordt nagestreefd.

De onderzoekers benadrukken dat geen enkele maatregel op zichzelf voldoende is. Alleen met een combinatie van strategieën – genetica, voeding, additieven, energie-efficiëntie en mestmanagement – is de beoogde reductie haalbaar. In de praktijk blijkt dat combinaties niet een optelsom van de afzonderlijke ingrepen opleveren. Soms werken ze elkaar zelfs tegen. Zo blijkt een combinatie van vet, nitraat en 3-NOP minder effectief dan verwacht, of kan zelfs negatieve effecten hebben op voeropname of productie.

De beschikbare technieken en additieven kosten geld, maar leveren op korte termijn geen extra opbrengst. Voor melkveehouders die werken met krappe marges is dat een lastige afweging. Zonder financiële prikkels – zoals carbon credits, premies vanuit de keten of subsidies – komen veel maatregelen dan ook niet van de grond. De onderzoekers pleiten daarom voor overheidsbeleid dat toepassing van methaanreducerende strategieën ondersteunt en versnelt.

Een open vraag is hoe methaanreductie zich verhoudt tot diergezondheid en melkproductie op de lange termijn. Methaanvorming is in wezen een vorm van energieverlies voor de koe, dus in theorie kan een lagere methaanproductie de voerefficiëntie verbeteren. Maar dat gaat alleen op als de verteerbaarheid en fermentatieprocessen niet worden beïnvloedt. Sommige studies tonen aan dat de voeropname daalt bij sterke methaanreductie.

Een uitstoot van netto nul betekent dat alle emissies die nog wel worden veroorzaakt elders gecompenseerd of verwijderd worden. Voor methaan ligt dat ingewikkelder dan voor CO2. Methaan blijft dan wel slechts 12 jaar in de atmosfeer, maar heeft in die tijd een opwarmend effect dat meer dan 80 keer groter is dan dat van CO2. Volledige eliminatie van de emissie van methaan is voor de melkveehouderij vrijwel onmogelijk, dus zal de resterende uitstoot moeten worden gecompenseerd met bijvoorbeeld koolstofvastlegging of CO2-opslag.

Verschraling leidt tot verzuurde bodems en verlies van voederwaarde

VALA, het agrarisch collectief voor natuurbeheer, heeft ruim 1.350 hectare botanisch grasland onder haar hoede. In het kader van het boerenexperiment ‘Verschralen tot we een ons wegen’ onderzocht ecoloog Rob Geerts de staat van 40 hooilandpercelen op zandgrond. De uitkomsten zijn alarmerend: langdurige verschraling zonder bemesting heeft geleid tot sterk verzuurde bodems, verarmde biodiversiteit en een fors verlies aan voederwaarde.


Verschraling leidt tot verzuurde bodems en verlies van voederwaarde

21 jul 2025

VALA, het agrarisch collectief voor natuurbeheer, heeft ruim 1.350 hectare botanisch grasland onder haar hoede. In het kader van het boerenexperiment ‘Verschralen tot we een ons wegen’ onderzocht ecoloog Rob Geerts de staat van 40 hooilandpercelen op zandgrond. De uitkomsten zijn alarmerend: langdurige verschraling zonder bemesting heeft geleid tot sterk verzuurde bodems, verarmde biodiversiteit en…

“We zien nu de keerzijde van jarenlang eenzijdig maaibeheer waarbij het maaisel volledig is afgevoerd,” zegt Geerts. “Verschraling is verheven tot doel op zich, met als gevolg dat het bodemleven achteruit is gegaan en het grasland zijn waarde als hooiland heeft verloren.”

Het onderzoek richtte zich op percelen die al minstens 15 jaar geen bemesting hebben ontvangen. De vitaliteit van de vegetatie, bodemkwaliteit, voederwaarde en botanische samenstelling werden onderzocht. De meeste percelen blijken sterk verzuurd te zijn, met een ernstig tekort aan bufferende mineralen als calcium en kalium. “Een grauwsluier ligt als het ware over het grasland,” beschrijft Geerts. “De vegetatie oogt futloos – een duidelijk signaal van mineralentekort en ontregelde bodemprocessen.”

Ook de productie stelt teleur: gemiddeld slechts 3 tot 4 ton droge stof per hectare, met lage eiwit- en VEM-waarden. “Voor boeren is het nauwelijks interessant gras meer. Het is minder voedzaam én minder smakelijk voor het vee.”

Nieuw evenwicht nodig

Volgens Geerts is het tijd voor herstelmaatregelen die het bodemleven en de plantengroei weer stimuleren. Vooral op de droogtegevoelige zandgronden moet volgens hem voorzichtiger worden omgegaan met verschraling. “We moeten af van het idee dat alle bemesting ‘slecht’ is,” benadrukt hij. “Juist organische mest, kalk of steenmeel – in de juiste dosering – kunnen het bodemleven voeden en de verzuring tegengaan.”

Hij pleit voor zogenaamde instandhoudingsbemesting: een lichte, regelmatige bemesting met bijvoorbeeld strorijke rundermest, aangevuld met kalk. Deze aanpak zou het tij kunnen keren zonder schade aan de biodiversiteit.

Van onderzoeksresultaten naar praktijkadvies

VALA wil haar leden actief ondersteunen in het herstelproces. Er komt een factsheet met concrete aanbevelingen, en er wordt gewerkt aan een aanbod van kalkmeststoffen voor leden met ernstig verzuurde percelen. “Veel boeren zijn terughoudend met bemesten, deels door het hardnekkige beeld dat mest gelijkstaat aan vervuiling,” zegt Geerts. “Maar met goede kwaliteit en zorgvuldige toepassing is mest juist een waardevolle hulpbron.”

Om het probleem breder aan te pakken, zoekt VALA samenwerking met onder meer BoerenNatuur, andere agrarische collectieven, terreinbeherende organisaties en kennisinstellingen als Wageningen University & Research en het Louis Bolk Instituut. “We willen meer grip krijgen op wat er gaande is, en toewerken naar breed gedragen herstelstrategieën voor botanisch grasland op zandgronden,” aldus Geerts. “We streven naar kruidenrijke, bloeiende graslanden die waardevol zijn voor biodiversiteit én bruikbaar blijven voor boeren.”

Bron: VALA

‘Krimpbeleid mist kansen’

Recent publiceerde ABN Amro dat de krimp van de veestapel als gevolg van de stoppersregelingen leidt tot 1,5 miljard euro schade per jaar en tot het verlies van meer dan 13.000 banen. Dat is volgens zelfstandig adviseur Twan Goossens echter niet het grootste probleem. Dat zijn de averechtse effecten van de regelingen.


‘Krimpbeleid mist kansen’

18 jul 2025

Recent publiceerde ABN Amro dat de krimp van de veestapel als gevolg van de stoppersregelingen leidt tot 1,5 miljard euro schade per jaar en tot het verlies van meer dan 13.000 banen. Dat is volgens zelfstandig adviseur Twan Goossens echter niet het grootste probleem. Dat zijn de averechtse effecten van de regelingen.

Wat is volgens u het grootste probleem?

“Waar het misgaat, is dat deze aanpak het milieuprobleem niet oplost, maar juist dreigt te vergroten. De oplossing ligt niet per se in minder dieren, maar in minder verliezen. Minder verlies van stikstof naar de lucht. Minder verlies van mestwaarde.

“Ook stoppen met symbolische maatregelen heeft mijn steun. Als we echt het milieu willen ontzien, moeten we investeren in emissiereductie aan de bron en het sluiten van kringlopen.”

Bent u dan tegen een kleinere veestapel om de milieuproblemen op te lossen?

“Ik ben niet principieel tegen een kleinere veestapel. Als er minder dieren zijn en dat leidt tot minder milieudruk, is dat winst. Maar zo simpel ligt het niet. Door minder dieren te houden, daalt de productie van dierlijke mest. Die mest is geen afval maar een waardevolle bron van nutriënten, mits goed beheerd.

“Als die natuurlijke mest wegvalt, wordt het tekort opgevangen met kunstmest. En dat verplaatst de milieudruk juist van de stal naar de fabriek. Kunstmestproductie kost veel energie en leidt tot de emissie van veel broeikasgassen.

“Bovendien leidt het gebruik ervan tot uitspoeling van nitraat naar het grondwater. De kringloop raakt verder verstoord. Minder mest van dieren betekent dus niet automatisch minder belasting van het milieu. Integendeel.”

Waar ziet u de oplossingen?

“Wat nodig is, is slimmer mestmanagement. Technieken als biologisch rijpen en fermenteren van mest zijn bewezen effectief. Ze verlagen de ammoniakuitstoot drastisch én verbeteren de kwaliteit van de mest. Gerijpte mest is stabieler, makkelijker op te slaan en beter opneembaar voor planten. Daardoor is er minder kunstmest nodig en dát betekent milieuwinst.

“Dat is de kern van echte kringlooplandbouw. Boeren die deze methoden al toepassen, verlagen hun emissies zonder hun productie op te geven. Zij verdienen erkenning, geen gedwongen beëindiging. Een beleid dat alleen inzet op krimp laat kansen liggen en jaagt onnodig gezinnen en bedrijven het land uit.”

Frankrijk versoepelt regels omtrent wolf

De Franse wet bood al geruime tijd de mogelijkheid om wolven te doden als zij overlast veroorzaakten, vooral in de vorm van aanvallen op vee. Op 22 juni 2025 zijn deze regels verder versoepeld. Deze wijziging staat los van de verwachte aanpassing van de beschermingsstatus van de wolf op Europees niveau, die pas in 2026 zal worden doorgevoerd.


Frankrijk versoepelt regels omtrent wolf

14 jul 2025

De Franse wet bood al geruime tijd de mogelijkheid om wolven te doden als zij overlast veroorzaakten, vooral in de vorm van aanvallen op vee. Op 22 juni 2025 zijn deze regels verder versoepeld. Deze wijziging staat los van de verwachte aanpassing van de beschermingsstatus van de wolf op Europees niveau, die pas in 2026…

In essentie komt het er nu op neer dat een veehouder een ontheffing kan krijgen om op een wolf te schieten, mits hij of zij beschermende maatregelen heeft getroffen en deze onvoldoende blijken. Het betreffende departement kan dan toestemming geven.

Het op 22 juni gepubliceerde besluit introduceert een officiële lijst van erkende beschermende maatregelen. Deze lijst is tot stand gekomen na overleg met vertegenwoordigers van de landbouwsector en heeft tot doel de kwetsbaarheid van kuddes te beperken.

Voorbeelden van beschermende maatregelen zijn:

  • Afkalven in gebouwen of versterkte hokken, of in de directe omgeving daarvan
  • Het onderbrengen van dieren jonger dan twaalf maanden in beschermde verblijven
  • ‘s Nachts bijeenbrengen van de kudde in een beveiligde ruimte
  • Inzetten van waarschuwingssystemen en menselijke tussenkomst
  • Begeleiding van de kudde door minder kwetsbare dieren
  • Vergroten van menselijke aanwezigheid
  • Gebruik van waakhonden

Toestemming op regionaal niveau

De vertegenwoordiger van een departement kan een veehouder waarvan de kudde in het afgelopen jaar is aangevallen, een ontheffing verlenen als ten minste één beschermende maatregel is genomen, maar niet effectief bleek.

Daarnaast kunnen ook veehouders van wie kuddes het afgelopen jaar niet zijn aangevallen, maar die zich in een risicogebied bevinden, toestemming krijgen. Hiervoor is een technische en economische analyse nodig, gevalideerd door de coördinerende prefect van het nationale wolvenactieplan. De veehouder moet bovendien aantonen welke maatregelen zijn genomen en waarom die onvoldoende zijn gebleken in het licht van het risico.

Het nieuwe besluit vormt een aanvulling op het huidige regelgevingskader voor de bescherming van vee, in het bijzonder voor rundvee- en paardenhouders die steeds vaker met wolven te maken krijgen. De Europese herziening van de beschermingsstatus van de wolf – van “strikt beschermd” naar “beschermd” – zal in 2026 nieuwe vormen van beheer mogelijk maken. Frankrijk werkt momenteel, met steun van de ‘nationale wolvengroep’, aan de invulling van dit toekomstige beleid.

Bron: Agroberichten buitenland