Michel de Haan was tot voor kort projectleider van ‘Koeien en Kansen’ dat onder andere milieumaatregelen op praktijkbedrijven onderzoekt. Wat levert onderzoek onder praktijkomstandigheden op?
Wat zijn succesvolle praktijken die het project opleverde?
“De bedrijfsspecifieke excretienormen, de Kringloopwijzer, het vanggewas onder of na de mais, geen bemesting bij mais op gescheurd grasland en voeren met een lager ruw-eiwitgehalte zijn nu gangbare praktijken waar Koeien en Kansen belangrijk aan bijdroeg. En ook het inzicht dat niet een maatregel op zichzelf het verschil maakt, maar vooral hóé je hem toepast.”
Wat is het lastigste bij onderzoek in en voor de praktijk?
“Je moet voortdurend rekening houden met ieders individuele omstandigheden, voorkeuren en bedrijfssituaties. Goede begeleiding is dan ook essentieel om veehouders gemotiveerd en gefocust te houden. Deelnemers kunnen teleurgesteld raken als resultaten niet direct toepasbaar blijken. Onderzoek is immers niet het werkveld van de veehouders en adviseurs. Inspanningen om ammoniak- en broeikasgasemissies te verminderen brengen ook belemmeringen mee, zoals extra kosten of aandacht voor diergezondheid bij methaanreductie. Het is belangrijk dat maatregelen uitvoerbaar zijn en dat opdrachtgevers, de sector en de overheid, zich hiervan bewust zijn.”
Zijn veehouders bereikbaar voor wetenschap?
“Ik denk het wel, maar je kunt niet alle veehouders over één kam scheren. De deelnemende veehouders zijn wetenschappelijk onderzoek in ieder geval meer gaan waarderen. Bewijs leveren is belangrijk – maar iets bewijzen is niet altijd eenvoudig.”
En andersom: hebben de deelnemende veehouders de wetenschappelijke inzichten of houding veranderd?
“Vooral als hun bedrijfssituatie in een onderzoek zit, omarmen veehouders de inzichten. Algemene wetenschap is minder toepasbaar. De interactie met veehouders leert de onderzoekers wat de praktijk belangrijk vindt.”
Welke opgedane inzichten zijn volgens u bewezen effectief, maar hebben het boerenerf niet gehaald?
“Een recent voorbeeld is de Bes-pilot voor ‘fosfaatevenwichtsbemesting’: bemesten zonder bodemoverschot en met dierlijke mest maximaal zoveel fosfaat bemesten totdat het overschot nul is. De veehouders probeerden hun dierlijke mest zo efficiënt mogelijk te benutten in plaats van maximaal toe te passen. Zo bleef het fosfaatoverschot net onder nul en het stikstofbodemoverschot erg laag en kon meer dierlijke mest gebruikt worden dan de generieke norm toestond. Met het vervallen van derogatie verviel de pilot.”





