‘Natuurinclusief gaat werken’

Martha Bakker is sinds 1 juli 2019 hoogleraar Landgebruiksplanning aan de Wageningen Universiteit. Haar doel? Nederland opnieuw inrichting om kringlooplandbouw, klimaatplannen en herstel van biodiversiteit te realiseren.

Welke rol speelt natuurinclusieve landbouw daarin?

“Voor ik hier op inga, zou ik eerst de term natuurinclusief nog even willen toelichten. Ik heb namelijk gemerkt dat sommige eigenaren van gangbare bedrijven aanstoot kunnen nemen aan de term, alsof wat zij doen compleet los staat van de natuur. Zo is het natuurlijk niet bedoeld. Wat ermee bedoeld wordt, is dat er zoveel mogelijk gebruik wordt gemaakt van natuurlijke processen, zodat het gebruik van kunstmest, bestrijdingsmiddelen en geïmporteerd veevoer aanzienlijk omlaag kan. Dat gezegd hebbende, zie ik een grote rol voor deze vorm van landbouw. Ik zie natuurinclusieve landbouw als één van de twee vormen van kringlooplandbouw die op termijn echt gaan werken. De andere vorm is de hoog-technologische kringlooplandbouw, waarbij allerlei technologie wordt ingezet om zoveel mogelijk reststromen weer om te zetten in grondstoffen. Bij natuurinclusieve landbouw zet je meer in op de natuurlijke kringlopen, waarbij je ervoor zorgt dat je niet méér water, koolstof en nutriënten aan de bodem onttrekt dan er via natuurlijke processen weer aangevuld kunnen worden. Ik zie voor beide vormen een rol weggelegd, want ze vullen elkaar goed aan. De natuurinclusieve variant is waarschijnlijk wat minder productief op het gebied van voedselproductie, maar daar staat tegenover dat ze heel veel andere essentiële maatschappelijke diensten levert die de hoog-technologische variant dan weer niet levert. Zo vormt ze – mits goed gesitueerd – een buffer rondom de natura2000 gebieden, krikt ze de agrarische biodiversiteit op, houdt ze water beter vast en reduceert ze de uitstoot van broeikasgassen.”

Wat is op dit moment de stand van zaken als het gaat om natuurinclusief?

“Het is nu nog altijd een beetje een niche activiteit. Een klein aantal boeren doet het, en is ook enthousiast, maar voor het overgrote merendeel is het een te riskante stap. Ik begrijp dat wel, want er zit veel kapitaal vast in investeringen die juist gericht zijn op het maximaliseren van productie. Er zijn bovendien veel die twijfelen aan de rendabiliteit van natuurinclusief boeren. Je bent weliswaar minder kosten kwijt aan allerlei inputs, maar hoeveel dat precies is, is vaak nog niet duidelijk. En natuurlijk hoop je wat meer te kunnen krijgen voor je product, wat zeker kan als je je laat certificeren als “biologisch”. Maar dat kan pas na twee jaar nadat je bent begonnen met zo’n biologische bedrijfsvoering, en niet iedereen kan zo’n periode overbruggen. Verder is het ook onzeker wat er met de vraag naar – en dus het prijsniveau van – biologische producten gaat gebeuren. Sommigen zijn bang dat die prijs gaat kelderen als er teveel aanbod komt. Daarnaast zijn de grondprijzen in Nederland hoog, wat ook niet gunstig is voor natuurinclusief boeren. Ik kan me de terughoudendheid van boeren dus best wel voorstellen.”

Wat moet er gebeuren om veehouders aan te sporen meer bezig te gaan met natuurinclusief boeren?

“Ik kan drie concrete acties bedenken: De eerste is dat financiers zoals de Rabobank de overstap naar natuurinclusief boeren financieel zouden moeten ondersteunen. De tweede is dat afnemers van producten nog veel meer kunnen doen aan het goed in de markt zetten van lokaal geproduceerd voedsel van hoge kwaliteit, zodat de focus op produceren voor de export minder vanzelfsprekend wordt. De derde is het uitgeven van goedkope pachtgronden aan natuurinclusieve boeren door partijen zoals Natuurmonumenten en Staatsbosbeheer. Verder is het zo dat op dit moment de natuurinclusieve bedrijven doorgaans verspreid zijn over het landschap, waardoor de meerwaarde voor landschap en ecologie tamelijk beperkt blijft. Ik vermoed dat we met een grootschalige omschakeling naar natuurinclusieve landbouw een aanzienlijke landschappelijke meerwaarde kunnen creëren die daarmee een belangrijke succesfactor kan gaan vormen. Die grootschaligheid – denk aan aaneengesloten gebieden van duizenden hectares – brengt namelijk een geheel nieuwe dynamiek op gang. Je krijgt dan een veel grotere toeloop van recreërende consumenten, het vermarkten van regionale producten gaat bij grote gebieden met een eigen identiteit veel gemakkelijker zijn, en de diensten die zo’n collectief van boeren aanbiedt aan omliggende (en stroom- en windafwaarts gelegen) dorpen en steden worden veel zichtbaarder en dus ook aantrekkelijker om financieel te ondersteunen.”

Welk gevolg voor de veestapel kan een herinrichting van Nederland hebben?

“Bij natuurinclusieve veehouderij houd je doorgaans minder dieren per hectare, dus een grootschalige overstap naar natuurinclusief betekent automatisch een kleinere veestapel. Maar als die krimp het gevolg is van een bewuste en vrijwillige keuze van boeren voor een nieuw bedrijfsmodel, wat is daar dan op tegen? Dat chagrijn over die veronderstelde halvering van de veestapel had veel meer te maken met gebrek aan waardering en respect dan over dat er nu werkelijk geen koe of varken af mag. Die veestapel is – of ik moet me heel sterk vergissen – geen doel op zich, maar een middel voor de boer om een leuk en rendabel bedrijf te voeren. En als dat ook kan met minder dieren, waarom dan niet? Dat gezegd hebbende: ik vermoed wel dat in het post-corona tijdperk er hoe dan ook heel andere richtlijnen komen met betrekking tot zoönose risico’s, dus hoge concentraties van vee in verouderde schuren in dichtbevolkt gebied, zijn in de toekomst echt niet langer denkbaar.”

Delen via:
Meer over: Mens en mening

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *