Bigvitaliteit begint in vroege dracht

Opnieuw is er maatschappelijke verontwaardiging over de biggen­sterfte in de zoogperiode. Het programma Nieuwsuur maakte er deze maand een rapportage over. In de rapportage wordt gesuggereerd dat de toegenomen worpgrootte en de afname in de beschikbare arbeid in de kraamstal rond het worpproces de oorzaken zijn van de toegenomen biggensterfte.

Maar is de uitval in de kraamstal dan zo gemakkelijk te reduceren door de inzet van extra arbeid? En is er een verband tussen de worpgrootte en de uitval in de kraamstal? Binnen het netwerk bigvitaliteit kon er geen relatie worden aangetoond tussen toomgrootte en de biggensterfte.
Uit recent onderzoek van het Roslin Instituut in Edinburgh blijkt dat er een sterke relatie bestaat tussen de groei en ontwikkeling van de foetus en vervolgens de ontwikkeling van de moederkoek (placenta) in de eerste fase van de dracht en het ontstaan van biggen met een te laag geboorte­gewicht. Biggen met een te laag geboortegewicht hebben vervolgens weer een sterk verhoogd risico op sterfte tijdens het geboorteproces; de fris dood geboren biggen­. De sterfte van pasgeboren biggen is bij biggen met een laag geboortegewicht veel hoger dan bij biggen met een hoger geboortegewicht. De lichte biggen verkleumen sneller of worden sneller doodgelegen doordat deze biggen minder vitaal zijn.
Het is dus niet alleen zo dat de beperkte ruimte in de baarmoeder de belangrijkste factor is voor een achterblijvende of gebrekkige foetale groei en ontwikkeling. De eicelontwikkeling, bevruchting, innesteling en de ontwikkeling van de placenta hebben ook allemaal effecten op het ontstaan van lichte biggen (Intrauterine growth restricted piglets).
Extra onderzoek naar de oorzaken van deze achterblijvende ontwikkeling van de foetussen begin dracht is zeer gewenst. Waarschijnlijk kan met voer- en managementmaatregelen in de dekstal én in de vroege dracht de vitaliteit van de biggen sterk verbeterd worden.
De aanpak van het beperken van de biggensterfte ligt dus niet alleen in de kraamstal, maar is zeker ook te beperken met maat­regelen in de vroege dracht. Een gezamenlijke aanpak ten aanzien van voeding, diergezondheid en ook bedrijfsmanagement lijkt hier de oplossing.

Rick Janssen, varkensarts bij De Varkenspraktijk Someren-Oss

Delen via:
Meer over: Column

Reacties zijn gesloten.