Verdelen van fosfaatrechten is toch niet zo moeilijk?

LTO wil maximaal 1 miljoen kilo fosfaatproductierechten reserveren voor extensieve bedrijven, lees ik net in de Nieuwe Oogst. En netwerk Grondig wil dat de latente ruimte op de extensieve bedrijven behouden blijft. Het lijkt erop dat de huidige discussie over fosfaatrechten niet alleen gaat leiden tot tweespalt in de sector, maar ook het Brusselse milieudoel gaat missen.

Oplossing op papier, maar ook in praktijk?

Brussel is duidelijk over het doel dat behaald moet worden: de waterkwaliteit moet op alle meetpunten aan de normen voldoen. Vanwege de Brusselse regelgeving heeft Nederland een uitgebreid meetnet ingericht binnen de landbouw. Op honderden plaatsen in agrarische gebieden worden monsters grondwater en oppervlaktewater genomen en onderzocht op stikstof en fosfor. Op basis van die metingen kunnen wij exact de gebieden aanwijzen, waar de waterdoelen wél en niet zijn gehaald, zowel voor stikstof als fosfor. (Bij Brussel is het water pas oké als het aan beide normen voldoet). Uit de metingen blijkt dat de grondwaterdoelen in veruit het grootste deel van Nederland zijn gehaald. In met name het zuidelijk zandgebied en op de Limburgse löss is dat op een aantal plaatsen nog niet het geval voor stikstof (nitraat). Maar zal het grondwater er in Oost-Brabant en Zuid-Limburg echt van opknappen als we de mestproductie oftewel fosfaatrechten in Groningen en Friesland gaan afromen? Ben bang dat het niets bijdraagt.

Let wel, als Nederland de waterknelpunten in de probleemregio’s morgen niet heeft opgelost, zal Brussel ons daar overmorgen op afrekenen. We ontkomen er dus niet aan regionale knelpunten op te lossen. Of gaan we dat doen middels een volgende ronde van landelijke aanscherping van gebruiksnormen en afromen van fosfaatrechten?

Oppervlaktewater is drama

Met generieke maatregelen, gericht op het grondwater, is het gelukt in veruit het grootste deel van Nederland de grondwaterdoelen te halen. De landbouw, wetenschap en beleidsmakers verdienen daarvoor alle lof!

Het oppervlaktewater daarentegen is een groot drama. Op meer dan negentig procent van de meetpunten voldoet dat niet aan de norm, constateert Brussel. En helaas voor de extensieve bedrijven van netwerk Grondig, de waterproblemen zijn hier niet gerelateerd aan de intensiteit van de veehouderij. Ook extensieve bedrijven kunnen een slootwaterprobleem hebben.

Hoe kan oppervlaktewater zo’n drama zijn?

Dat het er zo dramatisch voor staat, heeft naar mijn idee twee belangrijke oorzaken:

1. Maatregelen die goed werken voor het grondwater (zoals aanscherping gebruiksnormen, vanggewassen) hebben veel minder effect op het oppervlaktewater. Waar rekenmodellen een gunstig effect voorspelden, blijkt dat dus niet uit de officiële metingen van de waterschappen voor Brussel. Waarom dan toch het oppervlaktewater-probleem willen oplossen met verdere aanscherping van de gebruiksnormen? Terwijl we zien dat dit weinig uithaalt?

2. De normen die in sommige gebieden worden gesteld aan het oppervlaktewater, zijn zeer discutabel. De overschrijdingen worden zonder meer toegeschreven aan de landbouw, terwijl (een deel van) de vervuiling uit een andere bron lijkt te komen. Dat maatregelen dan geen effect hebben, hoeft geen toelichting. Maar waarom laat de landbouw zich dit gebeuren?

Nederland kiest voor trage en kostbare weg

In de dergogatiebeschikking van de Europese Commissie is een mestproductieplafond afgesproken voor zowel stikstof als fosfor (zie pag. 1, punt 8 in de beschikking). De productie mag niet boven het niveau van 2002 uitstijgen. Nederland wil de plafonds gebruiken voor een landelijke productiebegrenzing van de melkveehouderij – dit onder druk van milieuorganisaties – en kiest voor een generieke uitwerking. Het verdelen van de mestproductierechten zal met dit uitgangspunt, nog een hele kluif worden.

Brussel ziet de plafonds echter als middel om in alle regio’s de waterkwaliteitsdoelen te halen. Het beleid heeft effect als het aantal meetpunten waar de waterkwaliteitsdoelen worden behaald, toeneemt in de tijd (zie bijv. punt 11 in de derogatiebeschikking). Op meetoverzichten is exact te zien op welke locaties mest nog een knelpunt vormt en waar extra maatregelen nodig zijn. Brussel richt haar aandacht op deze regio’s.

De generieke maatregelen waarmee Nederland de productie wil begrenzen, matchen niet met de lokale waterknelpunten die Brussel opgelost wil zien. Doorgaan op de ingeslagen weg betekent dat nog veel generieke maatregelen (30% krimp mestproductie, schatting V-focus) en tijd (30 jaar, schatting Brussel) nodig zijn om de Brusselse doelen te halen. Nederland heeft zijn doel pas behaald, als ook het water in de allerlaatste regio aan de norm voldoet.

Delen via:
Meer over: Column

Reacties zijn gesloten.